Op het XLVIIste zinnebeeld. Wanneer het oog een' waterader ziet Met kleine straaltjes stroomen, Straks denkt men om de bron, of vliet, Waar uit zy haar beginsel heeft genomen, En houd niet op haar' vloeijing naar te gaan, Of 't keurig overweegen Naar wens ontdekte, waar van daan, Dat klaar kristal komt nederwaarts gezeegen, Wyl elk terstond dit redelyk besluit In 't hert voelt opgereezen, Dat de oorsprong, daar dit nat uit spruit, Verkwikkelyk en aangenaam moet weezen. O Ziel, die u zomwylen voelt geraakt In uw' bespiegelingen, Als 't oog zich in het schoon vermaakt, Dat zich vertoont in de uiterlyke dingen, Volg 't eigen spoor, en blyft niet in het geen Slechts de oogen kan verlusten Door vluchtige behoorlykheên, Als waar 't iet groots, met uw' gedachten rusten. Maar laat u al 't uitwendig schoon en goed Ten spoor en middel strekken, Om de overdenking van 't gemoed Tot hooger stof en zaaken op te trekken. Denk, dat ge in elk der schepselen beschouwt Een' kleine waterader, Op dat gy daar uit kennen zoud Hun aller bron, den zegenryksten Vader Denk, dat u hier een staaltje word vertoond, Een' flaauwe schets gegeeven Van 't schoon, dat Gods paleis bewoont,
Ten toppunt van volkomenheid verheven. En ô! wat vind, wat vind gy hier een' zee Van stoffen, niet te peilen, Waar in 't verstand, hoe fyn van sneê, Geen' uitvloed ziet, en lieflyk kan verzeilen! Wanneer de zon met haaren glans en pracht De duisternis doet zwichten; Wanneer de held're maan by nacht Ten reije gaat met duizend duizend lichten; Wanneer gy 't veld met kruiden ziet bedekt, Met bladeren de boomen, Daar 't pluimgedierte een' galm verwekt, By 't zacht geruis der zilverklaare stroomen; Wanneer ge in 't hof de frisse bloemen ziet Met keur van verwen praalen, Daar de eêlste hand te kort by schiet, Om naar den eis hun glans en gloed te maalen; Wanneer de dauw op versontlooken' blaên, By 't schitteren en schynen Der morgenzon, eerst opgestaan, Met druppels legt, als paer'len en robynen; Wanneer daar by een' zoete lieflykheid Van geurvermengelingen, Die overal zich heenen spreid, Komt in den neus tot hertsv[e]rkwikking dringen; Wanneer gy op den praalstaart van den paauw, Of zachte duiveveêren, Het blinkend goud, en rood, en blaauw, En groen, en wit bekoorlyk ziet schakeeren; Wanneer gy merkt in menig ander dier Gelyke wonderheden, Gepaard met aangenaamen zwier, En kloeke kracht, en snelheid in de leden; Wanneer gy in het menselyk gelaat
Een' majesteit ziet zweeven, Het beeld van zynen hoogen staat, Met vriendlykheid gemaatigd en doorweeven; Wanneer ge een' mens, by 't lichaam, schoon van leest, Ziet boven and'ren pronken Met ryke gaaven van den geest, Bekwaam om elk in zucht tot hem te ontvonken; Wanneer gy dit, en duizenden beschouwt Van dergelyke zaaken, Dan vind gy stof tot onderhouden, Die tevens 't hert kan stichten en vermaaken. Gelukkige, die stadig is gewoon Te zweeven met gedachten Van 't eindig naar 't oneindig schoon, En uit de beek haar' welbron te betrachten! Die heeft geen' nood, om aan 't vergangbaar goed Te kleeven met de zinnen: Die leert de krachten van 't gemoed Besteên, om God en 't eeuwig heil te minnen. Die maakt zich hier vast vaardig en bereid, Om eens ter plaats te komen, Daar elk de bron van lieflykheid Aanschouwen zal, en baaden in haar' stroomen.
Cookies on Poetry Cove