Op het XIIIde zinnebeeld. Hoe veel vermag de weetlust niet! Zy doet den mens de nachtrust haaten, Zy leert hem bed en huis verlaaten, Op dat haar wens zyn wit beschiet' In 't gadeslaan der hemellichten, In 't naauw bespieg'len van de maan, En sterren, die rondom haar staan. En schoon hier de oogen moeten zwichten, En schemeren, als veel te zwak, Om over zulk een ruim te weiden, Waar door het aardryk is geschieden Van 't hoogverheven hemeldak, Zy ondersteunt hun onvermogen Door fyne glazen, klaar en rond, Waar door, het geen te verre stond, Komt nader in 't bereik der oogen. Dit helpt des onderzoekers geest. Die kan, in de open' lucht gezeten, Geheele nachten zich vergeeten, Terwyl de ziel als gaat ter feest, En tracht nauwkeurig te overweegen, Hoe veel het aardenrond de maan In grootte mag te boven gaan, Hoe verr' zy zyn van een gelegen; Of die veranderlyke bol Haar schynsel van de zon moet haalen, Dan of zy blinkt met eigen' straalen, En vast van lichaam is, of hol: Of 't enkel sproeten zyn, en vlekken, Of bergen, bossen, zee, en grond, Ja een volkomen waereldrond,
Die zich daar in voor 't oog ontdekken. En schoon hy weinig, dan by gis, Van all' die zaaken af kan meeten, En zo hy ze in den grond kon weeten, Geen nut daar uit te haalen is; Schoon onderwyl zyn' huisgenooten, Op zynen iver heel gerust, Braveeren naar hun eigen' lust, Hy kleeft zo vast en onverdrooten Aan zyn' beminde bezigheid, Dat hem niet eens valt in gedachten, Om tot zyn voordeel te betrachten, Hoe 't in zyn huis geschapen leit. Gy, die met meer dan Argus oogen Steeds uwes naastens doen bespied, Waar van de ziel nooit vrucht geniet, Door slinkse weetlust slecht bedroogen, Wend uw gezicht naar dit beleid, En spiegel u aan deezen dwaazen. Want daar gy met gesleepen' glazen Van idele nieuwsgierigheid Eens anders handel poogt te ontdekken, Terwyl gy vlytig gadeslaat, Waar in hy naar den regel gaat, Waar zich besmet met zondevlekken, Word licht uwe eigen' ziel verzuimd, Word licht het huis van uw geweeten, Te dwaas verwaarloosd, en vergeeten, Voor snoode gasten ingeruimd. En wat is 't wit, daar zulk beschouwen Van 's naastens onderwind naar haakt, Dan achterklap, die zich vermaakt In eenes anders kwaad te ontvouwen, Tot schending van zyn' naam en eer?
Of zoekt gy hem, door zucht bewoogen, Te stellen zyn gebrekt voor oogen, Op dat hy zich tot beter keer', Helaas, wat mag uw iver heeten, Dan splinterschouwen in 't gezicht Uw' broeders, en het zwaar gewigt Een's balks in 't eigen oog vergeeten? Dus, hoe gy 't wend, of keert, gy staat Met hem gelyk, die, om te dringen Tot kennis van onnutte dingen, Zyne eigen' huiszorg dryven laat. En zult gy dus noch langer doolen? O neen, ô neen, verblind gemoed, Laat uwen naasten, wat hy doet, Aan zynen God en Heer bevolen. Of zo hy door een loflyk werk Uw hert by toeval kan bekooren, Gebruik het, om u aan te spooren In 't wand'len langs het deugde-perk. Dat voorts uw oog naar binnen keere, En toezie, dat geen vuil gespuis Van snoode zeên uw zielenhuis Met list bemachtige, en onteere. Let dus, ô mens, let op uw stuk. Geen uit- maar inzien baart geluk.
Cookies on Poetry Cove