Op het XIXde zinnebeeld. Wat wil dit zeggen, mensenkind? Waar toe het kooltje zo geslaagen, Zo aangeblaazen van den wind? Dus zou misschien onkunde vraagen, Die handeling niet veel gewoon; Doch zou wel haast dit antwoord hooren, 't Is, dat de kool, die gloeijend schoon Zich toonde voor het oog te vooren, Nu t'eenemaal met as bezet, Schynt doof, en koud, en zonder leven, En door die oorzaak word belet, Om, als voorheenen, dienst te geeven. Dies heeft men 't middel uitgedacht Van blaazers, die, door wind te maaken, De kool, byna beroofd van kracht, Op nieuw ontvonken doen, en blaaken. Dus wierd onweetendheid bericht. Maar als wy 't stuk te recht ontvouwen, Daar schuilt noch iets van meer gewigt, Dan 's lichaams oogen straks beschouwen. Gelyk de kool, zo is 't gemoed. Zal dat naar eis de godsvrucht kweeken, 't Is noodig, dat het door een' gloed Van heil'gen iver zy ontsteeken; Van iver, die het al verteert, Wat aangenaam is voor de zinnen, Om, onverdeeld tot God gekeerd, Hem met het gantse hert te minnen. Van iver, die gestadig aan De ziel met naauwe zorg doet letten, Om haaren gang op 's levens paên
Te stuuren naar des Hemels wetten: Van iver, die het herte leert Steeds uit te zien, en acht te geeven, Om onverhinderd, onverzeerd, Door duizend laagen heen te streeven. Maar ach! hoe menigmaal, hoe ras Kan deeze kool aan 't dooven raaken, En diep bestommeld onder de as Van aardse zorgen en vermaaken; Waar door het onheil met den tyd Haar dreigt, dat all' haar' warmte en leven, Dat daaglyks meer en meer verslyt, Haar eindlyk zal geheel begeeven, En maaken, dat de ziel, ontbloot Van al haar voorig licht en luister, Werde in Gods oog veracht en snood, En zinke op 't lest in 't eeuwig duister! Wat raad, om zulk een lot te ontvliên, Dat billyk moet de ziel verbaazen, Als dat haar God de hand koom' biên, Door 't kooltje weder aan te blaazen Met wind van nutten tegenspoed, Die de as van 't vleeslyk begeeren Door zyne kracht verstuiven doet, En de oude warmte wederkeeren? Gelukkig, wien die gunst gebeurt! Doch boven al, die, zo bestreeden, Niet ongeduldig mort en treurt, Maar weegt de zaak naar wyze reden, En blyft met een bedaard gemoed, Gewillig, zonder tegenzeggen, Niet anders als het kooltje doet, Voor 't blaazen van die winden leggen, Op dat hun kracht ter deegen raak',
En, 's waerelds as geheel verdreeven, Des herten koole zuiver maak', En de eerste vlamme doe herleeven! Geef, Heere, geef ons zulk een' zin, Als gy met uwen wind van boven Ons vonkje, door getrouwe min, Behoeden wilt voor 't heel verdooven: Op dat die sprankel, steeds gevoed, Eens met uw' klaarheid mag vereenen, En blinke met een' lichten gloed, Die, nooit verdoofd, nooit uitgescheenen, Met onuitspreekelyke vreugd Den geest in eeuwigheid verheugt.
Cookies on Poetry Cove