Op het VIde zinnebeeld. De kaars, tot noodhulp aangesteeken, Wanneer het daglicht is geweeken, Heeft iets, dat ons gezicht vermaakt; Doch zal verzengen, en verteeren, 't Geen door een maateloos begeeren Haar' held're vlam te dicht genaakt. Hier weet de mens zich voor te wachten, Naardien zyn' reden kan betrachten, Dat deeze glans, uit vuur geteeld, Als schynt hy zo gering in de oogen, In zyn inwendige vermogen Nochtans met zynen oorsprong deelt. De domme en redenlooze vliegen Kan 't schynsel van de kaars bedriegen, Terwyl zy, door het licht bekoord, Zich door en in de vlamme werpen, Daar straks de teêre vlerkjes snerpen, En menig in het vet versmoort. En schoon 'er veele, dus gevangen, Verstikt rondom het lemmet hangen; Schoon veele, in onmacht neêrgestort, Door springen, wentelen, en buigen, En brommen, hunne smert betuigen, Geen' die 'er door gewaarschouwd word. Doch wisten slechts deez' kleine dieren Zich zelv' zo weinig te bestieren, Men keurde 't nietig en gering: Maar dat een mens, met reên geschapen, Zich noch veel erger komt vergaapen, Dat 's een beklaagenswaardig ding. De schalke waereld, om de zinnen
Met kracht op haare zy' te winnen, Blinkt, even als het kaarslicht doet, Met eenen luister, schoon voor de oogen, Met glans van aanzien, en vermogen, Van schat, en weelde in overvloed. Het oog der wyzen, recht ontlooken, Ziet, dat dit schynsel is ontstoken Aan 't helse vuur, en houd de kracht, Die de oorsprong nimmer zal ontbeeren, De kracht van zengen en verteeren Al wie zich niet zorgvuldig wacht. Maar ach! hoe ziet men de aarde krielen Van duizenden misleide zielen, Die, aangevloogen op dien gloed, In de aardse wellust gants versmachten, Of deerlyk schenden de ed'le krachten, Waar van de geest zich dienen moet Als vleugelen, om staâg te reizen Naar de eeuwigduurende paleizen. Dit duurde zo veel duizend jaar: En ach! zo menig duizend baken Kan weinigen bekommerd maaken, Om zich te hoeden voor gevaar. O mens, die, in het aards zo schrander, U weet te spieg'len in een ander, En 't kwaad te myden, dat hem prangt, Wat kon u zo onachtzaam maaken, Zo weinig in een stuk doen waaken, Daar eeuwig wel of wee aan hangt? En zult gy n[o]ch, beroofd van zinnen, Om een bedrieg'lyk goed te winnen, De dieren volgen op hun spoor? Neen, dwaaze mens, ontsluit uwe oogen, Door vrees voor eigen' schaê bewoogen,
En geef aan goeden raad gehoor. Neen, dwaaze mens, laat eens de reden Betoomen uw' begeerlykheden: Op dat gy niet, als 's levens lamp Word uitgedoofd, u ziet verdreeven Ter helse vlamme, dicht omgeeven Van zwavelstank, en vuilen damp. Maar dat gy vroolyk op moogt klimmen Ter plaats, daar zon noch kaarsen glimmen, Maar 't licht uit aller lichten bron, Van voor alle eeuwigheid gebooren, En ider van Gods uitverkooren' Oneindig blinkt, gelyk de zon.
Cookies on Poetry Cove