Op het XLVIIIste zinnebeeld. Zo lang 't vertrek, waar in het licht Der kaars zich uitspreid, vast en dicht Aan alle zyden blyft geslooten, Word van haar' held'ren glans en gloed By elk, die graag zyn' arbeid doet, Gewenste dienst en hulp genooten. Maar word een venster opgedaan, Zo dat de wind daar in komt slaan, De kaars verliest eerlang haar leven, En zal, terwyl zy vast, beroofd Van haare vlam, geheel verdooft, Door vuilen stank slechts hinder geeven. Het werk van godsvrucht en van goed, Dat eenig mens op aarde doet, Word by het kaarslicht vergeleeken, Een licht uit aller lichten bron, Door 't vuur van Gods genade-zon, En Jezus reinen geest ontsteeken. Die kaars met eene koorenmaat Te dekken, keurt de Hoogste kwaad; Die wil, dat zy haar licht zal toonen, Gesteld op eenen kandelaar, Aan 't gantse huis, ontdekt en klaar, Tot nut van allen die 'er woonen. Doch zal die glans, door 't huis verspreid, Recht voordeel doen, de omzichtigheid Moet overal de vensters sluiten, Op dat het blaazen van den wind, Die met zyn' kracht het licht verslind, Dus afgeweezen, blyv' daar buiten. Wat wind is dat? de wind van waan,
Die staâg wat groots zich voor laat staan, Waar door de mens, in 't hert verheven En opgezwollen, zich vermaakt, En naar den lof van mensen haakt, Om 't goede werk, van hem bedreeven. Want zo 't geblaas van deezen wind Door spleet of venster ingang vind, Straks heeft het kaarsje, dat te vooren Aanminnig blonk in Gods gezicht, En and'ren diende met zyn licht, Zyn' glans en luister gants verlooren. Dan schryft een mens 't gepleegde goed, Niet God, daar 't al van komen moet, Maar dwaaslyk toe aan eigen' krachten: Dan durft hy zyn' bedreeven' daad, Indien 't niet is voor overmaat, Ten minste voor verdienstig achten. Dan denkt hy om het kwaad, weleer Van hem gepleegd, in 't hert niet meer; Noch om 't gebrek, dat aan 't bedryven Van zyne deugdewerken kleeft; Noch om 't gevaar, waar in hy leeft, Om in de godsvrucht vast te blyven. Dan durft hy anderen versmaân, Als min gevorderd op de paên, Die naar het zalig leven strekken; Recht of de macht, die God alleen Voor zich behield, hem was gemeen, De macht van 's naastens hert te ontdekken. Dus maakt hy, zo veel in hem is, Zyn eigen licht tot duisternis, Dewyl hy 't van zyn' nutte krachten Berooft, om and'ren in 't gemoed Te ontsteeken, dat zy naar het goed
Op 't eigen spoor met iver trachen. Hoe vuurig hy naar eere staat, Zyn hoogmoed is by elk gehaat: En wat hy spreekt van deugd te pleegen, 't Verfoeilyk beeld maakt zyne stem En lessen zonder kracht en klem, En staat zyne eigen' reden tegen. Zo gaat het hier. En wat is 't lot, Voor zulk een' ziel bereid by God, Dan ongenade, en haat, en tooren, Aan ider, die zich iets verbeeld, En God zyne eer en roem ontsteelt, Rechtvaardiglyk altyd beschooren? Dat word zomwylen hier ontdekt, Als God de ziel zyn' gunst onttrekt, Het voedsel van haar licht en luister. Dat word hierna op 't klaarst getoond, Als zich de hoogmoed ziet beloond, Verstooten in het eeuwig duister. Gy, die ter deugd uw' gangen spoed, Laat steeds uw helder licht van goed In 't oog van uwen naasten straalen, Maar sluit uw's herten wooning dicht Voor hoogmoeds wind, om eens in 't licht Van Gods paleis vol eer te praalen.
Cookies on Poetry Cove