Toezang.
Stem: O deugd, gy zyt zo schoone.
I.
Wie tracht 'er, in 't bestuuren
Van zyn bedryf, twee onderscheiden' zaaken,
Twee strydige natuuren
Te paaren, en naar beiden t'zaam te haaken?
Zo eenig mens
Met zulken wens
Zich 't werk ging onderwinden,
Elk zoude in 't herte
Hem keuren voor een' dwaazen, en verblinden,
En hy met smerte
Zich in zyn' waan eerlang bedroogen vinden.
II.
En zouden wy dan meenen,
Dat in ons hert de lust tot de aardse dingen
Zich waarlyk kan vereenen
Met zucht tot God, en zyne zegeningen,
Daar vocht en vuur,
Daar zoet en zuur,
Daar licht en duisternissen
Niet meer verscheelen?
O dwaasheid, die de ziel zich doet vergissen,
En, om te deelen
In 't vluchtige goed, het eeuwigduurend missen!
III.
Twee heeren te beminnen
Met waare zucht, en door gedienstig poogen
Hun beider gunst te winnen,
Heeft nooit op aarde een mens in zyn vermogen:
Zo sprak met grond
De wyste mond.
O oorsprong van ons leven,
Geeft, dat de waarde
Van 't eeuwig goed zy diep in 't hert gedreeven,
Om, los van de aarde,
Met reine zucht aan 't hoogste heil te kleeven.