Toezang.
Stem: Heilgierig mens, wiens grondgedachten. Of: Hoogheids minnaar, die 't acht voor ly'en.
I.
Die gaarne by een' machtig koning
Was aangenomen in zyn' wooning,
Wend zorg en iver aan,
Om wel te staan,
En te zyn bemind
By des Vorsten vrind,
Om door dienstbewys te dringen
In 't hert van 's konings gunstelingen.
II.
Vooral zou hier zyn' vlyt op letten,
Indien de koning zelf door wetten
Dit stelde tot een' pligt
Voor elks gezicht,
En verklaaring gaf
Van zyn' gunst of straf
Eens te zullen ondervinden,
Naar elk zich droeg ontrent zyn' vrinden.
III.
Der heeren Heer heeft door zyn' booden
Tot zyn paleis ons laaten nooden;
Maar tevens tot een' wet
Ons voorgezet,
Om door dienstb're vlyt
Eerst in deezen tyd
Zyner vrienden gunst te winnen.
Wie dit verzuimt, raakt nooit daar binnen.
IV.
Gods vrienden, die ons 't pad bereiden,
En in zyn' wooning kunnen leiden,
Zyn de armen, welker nood
Hier smeekt om brood,
Drank, en huis, en kleed,
Hulp in ziekte en leed,
Trouw bezoek in boei en keten,
Gedraagen om een goed geweeten.
V.
Gy, die aan 't aardse goed blyft kleeven,
Slechts voor u zelven schynt te leeven,
En kreunt u aan 't verdriet
Der armen niet,
Drukt uw hert en zin
Deez' bedenking in,
Drukt ze diep in uw' gedachten,
Op dat ze u leere uw' pligt betrachten.