Op het XLIVste zinnebeeld. Komt herwaarts, die, in staat uitsteekend, Uit hoogen stam, en edel bloed, Uit vorsten zaad uwe afkomst rekent, Tot groote daaden opgevoed: Komt herwaarts, die door erf, of gaave, Of vlyt, in arbeid onvermoeid, Een' ryken schat van geld en haave U in den schoot ziet toegevloeid: Komt herwaarts, die bevalligheden Vertoont in oogen, en gelaat, En braaf gestel van frisse leden, All' t'zaam gevormd naar juiste maat: Komt herwaarts, die voor uw' gewrichten, En ongemeene ledenkracht Geen pak te zwaar om op te lichten, Geen' arbeid onuitvoerlyk acht: Komt herwaarts, die door lieflykheden Van tong en taal, met lust gehoord, Kunt ooren streelen, herten kneeden, En leggen 't al aan zachte koord: Komt herwaarts, die den waarden zegen Van keurig oordeel, en verstand, En kloek geheugen hebt verkreegen Uit uwen Scheppers milde hand: Komt herwaarts, die met and're zaaken (Indien 'er zyn, wier ryk genot Den geest of 't lichaam kan volmaaken) Bedeeld zyt van den goeden God: Komt herwaarts all' te zaam; wy nooden U alle uit waare liefdepligt, Om op dit beeld, u aangebooden,
Te slaan uw lyfs- en ziels-gezicht. Ja laat 'er 't oog vry scherp op kyken, Op dat gy dan van in 't gemoed Een' schets behoud, die nooit mag wyken, Zo lang de lucht uw leven voed. Of komt u dit wat vreemd te vooren, Wyl ge onder 't wandelen misschien Wel menigmaal een veld met kooren, Tot lust der oogen, hebt gezien? Neen, laat het niet in uw' gedachten Onwaardig zyn, of laag gekeurd, Schoon wy u nooden op 't betrachten Van 't geen gy dikmaal hebt bespeurd. Wy willen u wat meer ontvouwen, Dan 's lichaams oog, hoe scherp en klaar, Kan merken in het bloot beschouwen Der welgegroeide koorenaar. Wy willen u een' spiegel geeven, Tot nutte leering voor 't gemoed, Op dat ge in dit, en 't ander leven, Moogt komen tot het hoogste goed. De welgestelde koorenaaren, Die zwanger gaan van edel zaad, Om voor den honger spys te baaren, Verbeelden u in uwen staat; Verbeelden u in 't groote voordeel Van adel, rykdom, schoonheid, kracht, Welspreekendheid, geheugen, oordeel, U van den Hemel toegebragt. Maar als gy de aaren, meest van waarde, En meest met voedzaam graan vermast, Ziet hangen met het hoofd ter aarde, Dan ziet ge een' lesse, die u past: Dan hoort gy zo veel' stemmen spreeken
Het vonnis van den trotsen moed, Die u het hoofd ten hemel steeken, En 't hert zich dwaas verheffen doet: Dan hoort gy u door zo veel' tongen Met kracht van reden en bescheid Vermaand, genoopt, en aangedrongen Tot ongeveinsde ootmoedigheid: Dan hoort gy door zo veele klanken U opgewekt, om onvermoeid Den Hoogsten voor het goed te danken, Uit zynen gunst u toegevloeid: Dan hoort gy u door zo veel' spraaken Verpligt, om van 't geschonken goed Voorzichtig een gebruik te maaken, Dat u en and'ren voordeel doet. O Mensen, leent geopende ooren, Leent herten, tot hun pligt gezind, Op dat die stomme taal van 't kooren Een' ingang in uw' zielen vind: Op dat gy, door het wel bestieren Van uw bedryf naar 't rechte wit, Zelf de ed'le gaaven leert versieren, Die gy tot zulk een eind bezit: Op dat gy tot dien staat moogt komen, Daar elk, het geen hier slechts ten deel Bezeten word, en weêr ontnomen, Volmaakt verkrygt, en in 't geheel, En met die gaaven, eens geschonken, Oneindig praalen zal en pronken.
Cookies on Poetry Cove