Vreugdepsalm.
Prijst den Heer der Legerscharen,
Heft uw harpgezangen aan!
Na een nacht van doodsgevaren,
Lacht de dag der redding aan;
Laat geen zorg uw vreugd beperken,
Nu het wierookoffer brandt;
Prijst des Heeren wonderwerken,
Looft den God van Nederland!
Aangerand door vreemde machten,
Fel bestookt door zwaard en vuur,
Smeekte Leyden God om krachten,
Als de vrouw in 't barensuur;
Ach! nog daalt op duivenvlerken
Hulp noch troost van 's hemels rand!
Waar, waar toeft ge ô wonderwerken
Van den God van Nederland?
Maar Jehovah heeft gesproken:
Majesteit en hemelgloed
Doen de heuvelkruinen rooken,
Schuimen oceaan en vloed.
Hij verschijnt ten spijt des sterken,
Die den heldenspeer omspant;
Prijst des Heeren wonderwerken,
Looft den God van Nederland!
Juicht, en dankt, uw haters vlieden,
Als voor d'uchtendwind het kaf!
Juicht, de bloem der oorlogslieden,
Werd versmoord in 't watergraf.
Niets, kan 't doen van Hem beperken,
Die 't heelal draagt op Zijn hand:
Prijst des Heeren wonderwerken,
Looft den God van Nederland!
Zevenwerf gezegend Leyden,
Zij uw heil de morgenstond
Van den dag, dien wij verbeiden
Voor der vaadren dierbren grond.
Wil ô God, den wasdom sterken
Van de in bloed ontgroende plant!
Prijst des Heeren wonderwerken,
Looft den God van Nederland!