De Waterkoning.Deze zang van Bato, ‘de Waterkoning,’ moge voor de aanwezige gasten bij het feestmaal op het Koninklijk jagtslot zeer verstaanbaar geweest zijn, ik twijfel of hij dit wel zoo ten volle voor al mijne lezers zijn zal; weshalve ik het noodig oordeel ter verduidelijking van eenige uitdrukkingen daarin voorkomende, de volgende bijzonderheden te herinneren.
Margaretha van Vlaanderen, woedend over den mislukten aanslag op Walcheren, waarvan zij zich zulk eene zekere overwinning beloofd had, wilde dit wreken op haren zoon Jan van Avennes, en liever dan dat ooit eenig Hollandsch bloed iets van het hare zoude bezitten, droeg zij het Graafschap Henegouwen, dat door de bemiddeling van den Franschen Koning Lodewijk IX, aan Avennes was toegewezen, als achterleen op aan Karel van Anjou, broeder diens Konings, mits hij haar met al de strijdkrachten die in zijn vermogen stonden, tegen Willem en diens behuwdbroeder, haar zoon Jan, bijstond. Dit aanbod werd door den Franschen Prins, altijd begeerig naar eenig landbezit, gretig aangenomen. Hij verzamelde een magtig heir te Compiègne, en rukte daarmede Henegouwen binnen. De Gravin Margaretha, die Rupelmonde versterkt had, om Henegouwen tegen een aanval uit Braband te dekken, vereenigde hare benden met die van Anjou. Weldra waren de meeste steden door geweld van wapenen bedwongen, en binnen weinige weken was Henegouwen in handen der Flanschen, en voor Avennes verloren. - Avennes wendt zich nu, door middel van zijne echtgenoot Adelheid, Willems zuster, tot den Roomsch Koning, die zeker deze krachtige voorspraak niet behoefde om zijn' boezemvriend te hulp te komen, maar hij was toen juist in hevigen oorlog met de West-Friezen, die hij in menigen waterstrijd zegevierend bevocht Alles dus wat hij voor zijn' behuwdbroeder voor het oogenblik doen kon was, om den Graaf van Anjou zijne onbillijke handelwijs onder het oog te brengen, met uitnoodiging om van zijn verder pogen af te zien, waartegen hij hem zijne vriendschap aanbood. - Anjou beantwoordde dit met smadelijke redenen, trotsch op de ondersteuning van zijn broeder, den Koning van Frankrijk, en hem dreigende met zijne overmagt, indien hij den ‘Waterkoning’ zoo als hij Willem schimpend betitelde, op het vaste land kon lokken om daar zijn moed aan hem te koelen. - Deze trotsche en opgeblazen taal werd door den Koning op eene waardige wijs beantwoord. Hij nam de uitdaging tot een strijd op het vaste land aan, en bepaalde daartoe de heide van Assche, niet ver van Maastricht, welke eene uitgestrekte vlakte aanbood, waar hem, noch de wateren verhinderen zouden te strijden, noch bosschen of bergen voor hinderlagen zouden doen vreezen; de dapperheid alleen zou hier alles afdoen. - Melis Stoke legt hem deze woorden in den mond (3e Boek. v. 1322)
Heer Grave, ic ben niet so vilein, In dar wel uten watre comen, Gaet mi te scaden of te vromen, Opdat ghi beidet enen dach. Winne daer, de winnen mach. So we behout dat velt aldaer, Hi mach wel seggben over waer, Dat hyt met stride ghewonnen heeft; Hets recht, datmen hem dan gheeft Den prys al de werelt doer. Welc onser de dan comet voer, Beide des anders enen dach.
Karel, die zoo iets niet verwacht had, wendde zich nu om bijstand aan zijn broeder, Koning Lodewijk; doch deze weigerde iets legen den jongen Koning Willem te ondernemen, die hem nooit beleedigd had, en dat:
‘Doer (om) eens wives overmoet.’
Dit antwoord sloeg Karel geheel ter neder, en hij was er reeds op bedacht om zich met den Roomsch Koning te verzoenen, toen Margaretha alles in 't werk stelde om hem te doen volharden. ‘Vrees niet’ zeide zij, ‘de Koning zal nooit zoo vermetel zijn. Schrijf hem slechts dat gij de plaats en den dag, dien hij bepaald heeft, aanneemt; sla dan gerust uw leger op de heide op, en vertoef er twee of drie dagen. Wees verzekerd dat hij er u niet zal komen opzoeken, al laagt gij er ook jaren achtereen. Dus zult gij u handhaven als Graaf van Henegouwen, een rang, tot welken mijn onwaardige zoon zich nimmer zal verheffen.’ Anjou liet zich door deze redenen overhalen; hij nam den strijd aan, met bijvoeging dat hij, die zich het eerst op de vlakte van Assche bevinden zoude, den anderen aldaar drie dagen zou wachten. - Ongetwijfeld rekende Anjou nog te zeer op de verzekering van Margaretha, dat de Koning aan de uitdaging niet zou durven of kunnen voldoen; maar deze had zich niet zonder vrucht aan de Duitsche Vorsten en zijne overige Leenmannen gewend, en hen opgeroepen om den hoon, hem door Anjou aangedaan, te helpen wreken. De Hertogen van Brunswijk, Saxen, Limburg, Lunenburg, de Landgravin van Thuringen, verscheiden Markgraven en Baronnen, zonden hem de gevraagde hulp, of schaarden zich zelven onder zijne banier. Bij zijn voortrukken naar Braband, kwamen ook de Hertog van dit gewest, Avennes en anderen hem versterken, zoodat zijn leger, uit Duitschers, Brabanders, Hollanders en Friezen zamengesteld, weinig minder dan honderd duizend man bedroeg. Hiermede verscheen de Koning op den bepaalden dag, een der dagen van September 1254, op de heide van Assche. Maar hij vond er zijnen vijand niet. Anjou, die naauwelijks de helft van zulk een leger had kunnen verzamelen, koos de schande boven een gewisse nederlaag; hij brak zelfs het beleg van Enghien op, en verschool zich in het versterkte Valenciennes. - Willem, na drie dagen vergeefs op de heide van Assche vertoefd te hebben, trok nu, midden door Braband, naar het wederregtelijk veroverde Henegouwen. Enghien opende hem dadelijk zijne poorten, en huldigde terstond Avenues als Graaf. Maar de Koning had het vooral op het goed verdedigde Valenciennes gemunt; doch Anjou dorst hem ook hier niet afwachten; deze trok naar Douai, aan de uiterste grenzen van het Graafschap, met zijne troepen terug; en liet de verdediging van Valenciennes aan Hugo van Bouchain over. Niet lang echter kon deze stad aan Willems magt wederstaan, na eenige bestormingen gaf zij zich over; nu volgden weldra Bergen, Binch enz. en zoo werd Henegouwen binnen zeer korten tijd bevrijd en aan Avennes, den regtmatigen Heer, onderworpen. - Anjou ging zijne schande in Frankrijk verbergen, om kort daarna, door de aanneming van het Koningrijk der beide Siciliën, en het ombrengen van Conradyn, den laatsten der Hohenstauffen, den wettigen opvolger in dat Koningrijk, op een schavot te Napels, zijn naam aan de diepste verachting der gansche wereld prijs te geven.
Hoe schittert Assche's heide Zoo rijk in d' uchtendgloed, Als ginds langs rots en weide, De zilvren Maasstroom doet!..
't Zijn honderdduizend lansen, Die, spiegel van het licht, Zijn stroom doen kronklen, dansen, En scheem'ren voor 't gezigt!
Wat wil die krijgsvertooning, Die vaan- en wapenpraal?
Het is de Waterkoning, Gedaagd uit Leeuwendaal!
Dat had de blinde veete, Die 't hoofd hun duiz'len doet, Van zwarte Margarethe, Noch van Anjou vermoed!
De Waterkoning nadert, Het voorwerp van hun spot! - Als voor den storm 't gebladert' Verstoof het Muitersrot;
't Vond, wat hem dorst weêrstreven, In 't golvend diep een graf: Op Duitschlands troon verheven, Voegt hem de Waterstaf! -
Waar toeven thans uw dapperen, Wat mart gij, schuldig Paar?...
Ziet Hollands Liebaart wapperen, Het uur des strijds is dáár!
Vreest hier verdronken weide, Noch zeegolf om uw borst! Op 't droog van Assche's heide, Verschijnt de Watervorst.
Maar Duitschers en Bataven Bezweren 't, hoog van moed: Te wasschen 't leed des Graven, In 't Vlaamsche en Fransche bloed! -
Reeds driewerf zag de morgen Op 't glanzend leger neer, Dat, tuk naar moeite en zorgen; De rust vloekt van 't geweer.
Driewerf, bij 't avonddalen, 't Gestarnt' zijn post betrekt,
Maar, waar het oog mag dwalen, Geen vijand dien 't ontdekt!
Hoe! woord en pligt vergeten, Kiest gij de schande, o Vorst! Anjou durft zich niet meten, Met wien hij honen dorst!...
Margrethe! ontaarde moeder, Wacht voor uw' gruwlen 't loon! Vorst Willem wreekt zijn Broeder, Uw wreed beroofden Zoon! -
‘Op, op nu, mijn getrouwen, Hier lang genoeg vertraagd; Op, op, uit Henegouwen, Den Franschen gier verjaagd!..’
Zoo klinkt, als 't stormenloeijen, Des Waterkonings stem;
En, zoo als baren, vloeijen De drommen zaam om hem.
Zij snellen aan, zij komen En stormen over 't Land, Als over de akkers, stroomen Ontsprongen aan den band!
Geen sterkte, hoe te duchten, Weêrstaat aan zulk een vloed. De Fransche roovers vlugten, Of wentlen in hun bloed.
Enghien en Valenciennes, 't Bukt alles voor hem neêr, En huldigt reeds Avennes, Als Henegouwens Heer.
Maar luider eerbetooning, Maar stouter zegelied,
Den fieren Waterkoning, Die zee en land gebiedt! -
‘Hij leef'!’ zoo galmt uit aller mond, Bij 't einden van den zang. Men zwiert den berkemeijer rond: ‘Hij leef, Hij leve lang!’ - ‘Hij sterf!’ zoo gilt een raauwe kreet, Die zelfs den stoutsten treft met schrik. Elk wendt het hoofd en slaat den blik Naar 't oord van waar het kwam; - men weet Geen oorzaak voor dit vreemd geluid. 't Is alles stil - naauw haalt men aâm. - De herfstwind blaast door schouw en raam: ‘Het is de wind alleen, die fluit,’ Zegt de een; ‘de donder rommelt, hoort!...’ ‘Verraad!’ roept de ander; ‘'t was een woord Met kracht gesproken! -’ Op die taal, Schiet daar een rosse bliksemstraal, Verheldrend 't marmerbleek gelaat
Der Koningin; - zij, die nooit beeft, Zwijmt op dat vreeslijk woord: verraad! - ‘Mijne Ega,’ roept de Koning, ‘sneeft! Vliegt, dienaars, vliegt, bestijgt het ros, Doorzoekt het huis, doorrent het bosch! Maar, vrouwen, hier! - mijn Gemalin!... Redt, redt met mij de Koningin!...’
Cookies on Poetry Cove