I.
De Ridderzaal.
U zij mijn groet, o ridderlijke Zaal,De oorsprong van verscheidene steden ligt in het duister. Dit hebben zij met vele Adellijke geslachten gemeen, en het is nog al zonderling, dat Burgers en Ingezetenen zich soms geen minder moeite gegeven hebben om den oorsprong hunner steden uit de meest fabelachtige oudheid op te delven, als de afstammelingen van sommige Adellijke geslachten, de wortels van hun stamboom uit den grond van het Oosten, in de nabijheid der wieg van het Menschelijk geslacht. Omtrent den oorsprong van 's Gravenhage bestaat er geen twijfel die aanleiding tot gissingen behoeft te geven. Iedereen weet, dat Willem II., Graaf van Holland en Roomsch Koning, door de stichting van een Hof of Paleis, (dat echter niet door hem, maar eerst door zijn zoon, Floris V., voltooid werd,) de aanleidende oorzaak was tot het ontstaan van deze plaats, die, tot den huidigen dag, de residentieplaats der Nederlandsche Vorsten gebleven is.
Er bestond derhalve noch aanleiding noch behoefte om mijn dichterlijk verhaal met fantastische voorstellingen op te sieren; alleen heb ik aan het denkbeeld der stichting van gemeld Hof of Paleis door Willem II, een voorval uit diens leven verbonden, hetgeen mij voorkwam daaraan een bijzonder gewigt, en, mag ik het dus noemen, eene dichterlijke kleur te geven. Om dit voorval, de schaking en bevrijding van 's Vorsten gemalin, tot mijn oogmerk te bezigen, had ik alleen noodig tijd en plaats eenigzins te verschikken; eene vrijheid, welke ik mag vooronderstellen, dat aan het dichterlijk verhaal niet zal ontzegd worden.
Omtrent den juisten tijd der eerste stichting van het gemelde Hof, bestaat eenig verschil. De Heer Mr. Johan Meerman, Vrijheer van Dalem, in zijne Geschiedenis van Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning, stelt het in 1250. - De Baron W.H.J. Westreenen van Tiellandt, (als oudheid- en geschiedkundige algemeen bekend, en aan wiens heuschheid ik dankbaar erken, menige nuttige opmerking en inlichting verschuldigd te zijn,) stelt dit jaartal, in zijn belangrijk werkje: 's Gravenhage in de dertiende eeuw, op goede gronden, in 1249; doch alle schrijvers, Veldenaar in zijne Chronijk, Jo. a Leydis, de Divisie-Chronijk, Guicciardini, Boxhorn, Gouthoeven, de Cretzer, de Riemer en anderen, komen overeen, dat de stichting van dit Hofgebouw, zijnde de groote zaal op het Binnenhof, met de daaraan verbonden vertrekken, den grond legde tot den verderen aanbouw van 's Gravenhage.
Veldenaar beschrijft deze stichting in zijne Chronijk aldus:Oorspronkelijke uitgaaf, Utrecht bij J. Veldenaar 1480, pag. 292, of van de uitgaaf van Scriverius p. 43. Daar na [t.w. toen Willem voor het eerst als Roomsch Koning in Holland verscheen,] toech die Coninch in syn Greeffscap in Hollant, daer hi mit groter eren ende weerdicheyt ontfanghen wert. Ende hi dede in den Haghe tymmeren een Conincklick Pallaes, daer hi van hoghen saken des rycks te recht sat, die stadtlude ende die borchsaten die gaven goetwillichlick den Coninck tinss [cijns] ende brochten in des Keyzers Camer, sodat syn camer overvloedich ryck wert ende groot van schat wert. -’ De zoogenaamde Divisie Cronijk beschrijft den aard van het gebouw eenigzins nader.Divisio 18. Cap. 13. ‘Nu is Coninck Willem in Hollant gecome daer hi mit grote waerdicheit, eer ende triumphe ontfangen wert, als wel recht was, ende quam terstond in den Hage, ende dede ontbiede verstandele wercklieden om een Conincklyk palays daar te doen maken, ende heeft daer gefondeert die scone hoge Sale ende die Capelle met scone welgechyerde [wel gecierde] cameren, als men noch sien mach.’ -
De groote zaal, door mij de Ridderzaal genoemd, omdat zij tot ridderfeesten enz. bestemd was, gelijk wij straks zien zullen, is dus het middelpunt geweest, waarmede de bouw van het Koninklijk paleis van Willem II. is aangevangen, welk paleis de Roomsch koning meende noodig te hebben om den luister van deze zijne nieuwe waardigheid op te houden, en dat, toen het voltooid was, ‘als wonder van bouwpraal’ gelijk Bilderdijk zegt, gesch. des Vaderl. 2 deel, bladz. 154, ‘door geheel de wereld gerucht maakte, en ten aanzien van bouwstoffe zoowel als van vorm geen gelijk had.’ - Laatstgenoemde voegt hier den wensch bij dat van dit, gedurende zoo vele eeuwen telkens veranderd, bijgebouwd, en altijd meer en meer van zijn eersten aanleg ontvormd gesticht, de lotgevallen en van tijd tot tijd ondergane veranderingen historisch werden nagegaan, zoo wel als de gebeurtenissen die er in en uitwendig bij zijn voorgevallen en niet altijd bekend geworden.
Ditzelfde denkbeeld nu heeft mij sints een aantal jaren bezig gehouden. De stof is rijk en uitgebreid, als men bedenkt welke herinneringen dit gebouw van zoo verheven oorsprong al opwekt; dat het, om maar iets uit verschillende tijdperken te noemen, ook het tooneel is geweest der geruchtmakende feesten van den prachtlievenden Graaf Willem IV; dat in zijne tuinen de schoone Aleid van Poelgeest (door de Kuser van Beets nog belangrijker geworden) is vermoord; dat aldaar de ongelukkige Gravin Jacoba de zaligste uren van haar leven sleet; dat binnen de muren der groote zaal de Koning van Spanje als Graaf en Heer dezer landen werd afgezworen; dat hare vloersteenen den indruk dragen der laatste voetstappen van 's Lands Advocaat Joan van Oldenbarneveld - deze en zoo vele andere herinneringen maakten mij de behandeling dezer stof tot een geliefd voorwerp van studie; maar die vereischt een meer doortastend onderzoek, dan mij thans, bij zoo verre verwijdering van 's Gravenhage en de hulpbronnen die mij daar te dienste stonden, vergund is. Intusschen hoop ik nog eenmaal in staat gesteld te worden om de resultaten van dit mijn onderzoek den beminnaars van de Geschiedenissen en Oudheden van onzen geboortegrond aan te bieden.
Het tegenwoordige dichtstuk is eenigermate als een uitvloeisel van dit, bij mij geliefkoosde denkbeeld, te beschouwen, en, als een natuurlijk gevolg daarvan, de voorstelling der Ridderzaal, in het eerste gedeelte des gedichts, als nog levende herinnering aan den Riddertijd; aan het tijdperk van den hoogsten bloei van het Gemeenebest der Nederlanden; en wier tegenwoordige bestemming (eene Loterijzaal!) als van zelf de gelegenheid aanbood tot eene tegenstelling van die beide, in zoo vele opzigten poëtische tijdperken, met onzen prozaïschen, materiëlen tijd.
Van den allereersten toestand, en de uiterlijke gedaante van het Hofgebouw of de ‘Sale’ zij hier nu alleen het volgende gemeld:
De kaart op het stadhuis van 's Gravenhage berustende, en door de Riemer uitgegeven, is niet ouder dan van den jare 1570, en daarin is deze stad, zoo als zij thans is, zeer goed te herkennen, omdat zij sints dien tijd wel aanmerkelijk is uitgebreid, maar in de hoofdgedaante geene wezenlijke verandering heeft ondergaan. Maar, van vroeger dan de laatste helft der 16e eeuw waren er geene topographische bescheiden van deze plaats bekend, tot dat de Heer Van Westreenen, in zijn reeds genoemd werkje: 's Gravenhage in de 13deeeuw, de afteekening mededeelde en eene zoo veel mogelijk volledige beschrijving gaf van een door Zijn Hoog Welgeb. ontdekt kaartje, met het opschrift: Die Hage soe als die was ao. 1249, geteekend door zekeren Christoffel Marghe ao. 1528, en waarop duidelijk de groote zaal met de nevengebouwen, alsmede de kapel, (thans weder eene R.C. kerk) en eenige aanzienlijke gebouwen in den omtrek, te midden eener boschrijke streek: das walt genaamd, staan afgebeeld. Ofschoon nu dat jaartal 1249, op het kaartje vermeld, wel voor eenige wijziging vatbaar is, zoo blijkt toch uit dit merkwaardig stuk, dat de bouw van het hof van vroegere dagteekening is dan sommigen wel meenen, en dat de beschrijving daarvan door Veldenaar, Gouthoeven en anderen gegeven, die ook ‘die Capelle’ en ‘scone welgechyerde cameren’ vermelden, wel degelijk tot den tijd van den Roomsch Koning Willem II behoort. Het is toch geen stad die wij op dit kaartje voor ons zien, maar een Vorstelijk slot, met eenige adellijke huizen omringd. En wat alle bedenking omtrent de waarheid dezer afbeelding wegneemt, is de opmerking, dat de vijver, die zich ten noorden van de kapel bevindt, en welke men zeker weet, dat eerst onder de regering van Floris V is gegraven, niet op deze kaart voorkomt. Zoo laat het zich verklaren hoe Willem II reeds in deze zaal ‘sat om recht te oeffenen’ en zijne devotie verrigtte in de kapel, aan de H. Maagd Maria gewijd; - ofschoon de kort daarop gevolgde gebeurtenissen, 's Graven dood in 1256, en de minderjarigheid van zijnen zoon en opvolger Floris V, de voltooijing van een en ander volgens den oorspronkelijken aanleg verhinderde; tot dat gemelde Floris, die in zoo vele andere opzigten de voetstappen van zijn' grooten vader drukte, en met eene waarlijk kinderlijke vroomheid voleindigde wat deze begonnen had, ook dit hof in den Hage volbouwde, zelfs vergrootte en verfraaide, en tot zijn meest geliefkoosd verblijf bestemde. Van vroeger glans nog schemerende straal, Als 's avonds, om de kruin der bergen vonkt, Door 't vaakrig oog des moeden dags belonkt! - Wat waarlijk hoog, verheven is in eer Ziet rustig steeds op nacht en neevlen neêr, Want immers vangt de rijzigste Alpentop Den morgenstraal als de avondglansen op! Zóó, schittrend blijk van vorstelijke gunst, Van ongesmukte en toch verheven kunst, Waarop een eeuw van heldenkracht mag roemen, Die 't ons behaagt barbaarsch en woest te noemen,
Zoo waart Gij, in der tijden donkren nacht, Van 's Gravenhaag de glorie en de pracht, Het merk, dat zij van vorstlijke afkomst droeg, Wat vreemde hand haar ooit in kluisters sloeg; Gelijk een trek van fierheid op 't gelaat, Den vorstentelg in 't slavenkleed verraadt! En welk een glans van blijder dag getuigt, Wat stralenkrans om 't vorstlijk voorhoofd buigt, Gij blijft, o Zaal, met uw eenvoudig schoon, Het keurgesteente in 's Gravenhage's kroon! -
Hoe dikwerf doolde ik rond, in 't plegtig uur, Als 't West nog bloost van 't gloeijend zonnevuur, Terwijl de maan van 't Oosterhemeldak, Haar zilver strooit op 't rimplend watervlak, En, tusschen 't licht dat op- en ondergaat, Het duister toch een kleed om 't aardrijk slaat, Waarin de grens van 't Wezen en den Schijn Ineensmelt, en Verbeelding vrij mag zijn Haar droomen met der waarheid glans te kleuren, 't Vermolmd verleên aan 't graf des Tijds te ontscheuren:
Hoe dikwerf doolde ik, in dat plegtig uur, Door uw gewelf en langvergrijsden muur Omgeven, waarlangs 't maanlicht nedergleed, Dat d'omvang juist van 't duister kennen deed, Als een gordijn gespannen voor 't tooneel. Daar kleedde ik dan uw wanden in 't fluweelHet tooneel, hier geschetst, zal ieder geschiedkundige dra herkennen voor de instelling der Ridderorde van St. Jacob, door Graaf Floris V. Over de instelling dezer Ridderorde, of liever over de echtheid van het te dezen aanzien medegedeelde extract door Butkens, in zijne Annales généalogiques de la Maison de Lynden, zijn, voor eenige jaren, op nieuw zwarigheden geopperd, welke tot een' vrij uitvoerigen pennestrijd hebben aanleiding gegeven tusschen den Heer F.G. Baron van Lynden van Hemmen en den Heer Max. L. Baron d'Yvoy van Mydrecht, welke intusschen dit nut heeft te weeg gebragt, dat voor de waarheid van de instelling dezer Ridderorde, onzes inziens, geen redelijken twijfel overblijft. Of zijn er misschien nog die, na al de aangevoerde bewijzen voor de goede trouw van Butkens, en de zuiverheid zijner bronnen, nog twijfel voeden, er was voor mij grond genoeg om in dit voorval eene ongezochte en misschien niet ongelukkige aanleiding te vinden, om de Hofzaal voor te stellen, getooid met al de pracht voor een echt Ridderlijk feest.
Maar, zoo als ik zeide, ook voor den geschiedkundige is, na al hetgeen te dezer zake is te berde gebragt, het punt in geschil genoegzaam opgehelderd; indien men slechts voor het jaar 1290, door Butkens, Miraeus en anderen, als het jaartal der instelling van de Ridderorde van St. Jacob opgegeven, het jaartal 1279 leest. De reden van welke vergissing, door den Heer Baron van Lynden vas Hemmen voldoende is ontwikkeld. De namen der twaalf Heeren, door Graaf Floris V (die zelf kort te voren, in 1277, te 's Hertogenbosch tot Ridder geslagen was, door zijn oom Hertog Jan van Braband) tot Ridders van St. Jacob geslagen, zijn:
Dirk, Graaf van Kleef; Lancelot, Heer van Hamilton, Ambassadeur van Koning Hendrik van Schotland; Godevaert, Heer van Boïcholt, Ambassadeur van Westfalen; Hendrik, Graaf van Hennenberg, Ambassadeur van Keulen; Dirk, Heer van Brederode; Jak, Heer van Heusden; Jan, Heer van Arkel; Dirk, Heer van Lynden; Otto, Heer van Asperen; Jacob, Heer van Wassenaer; Ghijsbrecht, Heer van Aemstel en Hugo, Heer van Vianen. - Dit getal van twaalf is geheel in den geest dier tijden; toen men gaarne naar het getal der twaalf Apostelen of der twaalf artikelen des geloofs, waar dit pas gaf, gelijke afdeelingen maakte. Uit dien hoofde werden, door Keizer Hendrik de Vogelaar, de tournooiwetten in twaalf kapittelen verdeeld, hoewel men veel moeite had om de stof in zoo veel afdeelingen te splitsen. De Heer van Lynden van Hemmen meent dat men, bij de bepaling van het getal van twaalf ridders voor deze orde, het oog gehad hebbe op de twaalf Apostelen, of de twaalf Geloofsartikelen; en van daar dan ook de toespeling in de dichtregels;
De goede! weet hij 't?.... in dier twaalven tal, Is Aemstel ook - die hem verraden zal!
Wat voorts de beschreven plegtigheden bij het Ridderslaan door Floris V betreft, het vieren namelijk van de Mis door den Bisschop van Ulrecht, de eedaflegging op een Misboek, het geven van den Ridderslag, het steken der trompetten enz., men zal, hoop ik, daarin overeenkomst vinden met de gebruikelijke plegtigheden bij zoodanige gelegenheden, gelijk die onder anderen vermeld zijn in Goldasti Constit. Imper. tom. III. fol. 400, bij gelegenheid dat Graaf Willem II, vóór hij tot Roomsch Koning gekroond werd, door den Koning van Bohemen, te Keulen, tot Ridder geslagen werd. - Van Loon, in zijne Aloude Regeringswijs van Holland, verhaalt de bedoelde plegtigheid van de instelling der orde van St. Jacob, volgens Miraeus, in zijn Cod. don. piar. tom. I. fol. 441, aldus: ‘Alle welken [Heeren] den Ridderlijken eed, wegens het heylig naarkoomen van den voorgehouden regel dier ingestelde Ridderordre, in handen van Johan den II [van Nassau] Bisschop van Uytrecht, op het Evangelieboek gedaan, en vervolgens ten onderpand dezer gedaane beloften, allen hunne onderscheydene wapen schilden, zoo als zulks in andere diergelyke Broedenvordingen door de wapenen alom gebruykelyk was, aan den schildknaap Johan Paypaart, in hoedanigheid van Eerhoud des Hofs, ter hand gesteld hebben, welke dezelven vervolgens op de groote zaal des Hofs in 's Graavenhaage, ter oorzake aldaar dit Ridderlijk Broederschap zijn eerste begin genoomen hadt, zoo ten onderpand hunner beloofde trouwe, als ter eeuwiger gedachtenisse van deze aldaar voorgevalle gebeurtenisse, te weeten, ieder volgens synen hiervoorgemelden rang, ophong; nadat aan iederen deeser nieuwe Ridderen een zilver Torkeel, verstaa, Ridderlijke halsketen, uyt ses daartusschen gevlochte Sint Jacobs schulpen bestaande, en aan wiens benedeneynde de beeldenis van den aangenomen Beschermheylig dier Ridderordre gehecht was, ter zwaarte ieder van anderhalf mark zilvers, bij hunne Ridderwordinge, op 't bevel des Graaven van Holland, was om den hals gehangen.’
Deze plegtigheid werd achtervolgd van een glansrijk tournooi, waaromtrent ons door Butkens, in zijne voornoemde Annales, het volgende Extract uit het ‘Tournoy-boek des Graven van Hollant’ wordt medegedeeld:
In 't jaar voerseyt van 1290, [of liever 1279] soe heeft mijn hoeghe Heer die Grave de Ridderen van syn Broederschap een tournoy aanghericht, waer beroepen waren de vermarste Ridderen van dien tydt, en de campioenen waren wel tougherust ende gebordeert, elck met hunne wapenen, als hier naar beschreven staat.’
Eenige, niet alle, van deze campioenen worden vervolgens vermeld, zij waren:
‘Heer Dirick, Heer van Brederode, ende droech een gulden schilt met een bloedroodigen leeu, et een blau tonge en crytsen, met een blau barenstel, en riep Hollant.
De tweede campejoen was: Heer Johan, Heer tot Heusden, ende droech een gulden schilt, met een rood raderken van een spinnewiel, ende riep Cleve.
De derde campejoen was: Heer Dirick, Heer van Lynden ende ter Lee, ende droegh eenen rooden schilt met een vergult cruys, ende riep Aspremont.
De vierde campejoen was: Heer Arent, Heer tot Isselstein, ende droech eenen gouden schilt, met een swarte plank daarin waarop een cruys van St. Andries gheschaakt van wit en root, en riep Amstel.’ - [Deze Heer tot Isselstein was een broeder van Gysbrecht van Aemstel, een der verkoren Ridders van St. Jacob.] En purper, dat zijn breede plooijen slaat Om zwaard en schild en blinkend krijgsgewaad, Bijeengegroept rondom den hofzaalwand. In 't midden rijst een zetel, hoog van stand, Met beeldhouwwerk en zijde rijk gesierd; 't Fluweelen kleed dat van 't gehemelt' zwiert, Wordt zaamgevat en als omhoog getild Door gouden kroon en 't prachtig wapenschild, (De roode leeuw op 't blinkend gouden veld) Dat de eereplaats van Hollands Graaf vermeldt. Daarover rijst een altaar, niet door pracht Maar eenvoud schoon; het Crucifix alleen, Van zilver, spreidt een glans als edelsteen Door 't waslicht, hier in menigte aangebragt, En daarvoor ligt, (waar pronkstuk van die dagen)
Een prachtig Misboek opgeslagen. Daar oopnen zich de deuren, links en regts; De Graaf verschijnt, van edelknapen, knechtsHet hier gebezigde woord knechts gelieve men te verstaan in den zin welke er te dier tijde aan gehecht werd, namelijk van schildknecht; (het fransche écuyer) welke titel gegeven werd aan zoodanige jonge lieden die nog geen Ridder geslagen waren, maar die in onderscheiden Ridderlijke oefeningen of in den strijd den Ridders ter dienste stonden, en die zelfs zonen van Ridders of van Vorsten waren. - Bovendien vind ik dien naam van knecht gebezigd in den zin van Leenman, en dus van Ridders of Vorsten zelven, blijkens de woorden welke Melis Stoke aan onzen Graaf Willem II, Roomsch Koning, in den mond legt, op de vordering der leenhulde voor Zeeland bewester Schelde, door Margaretha van Vlaanderen, waarvoor hij de verheffing van 't leen, eerst aan hem, als hoofd des Rijks vorderde. (B. III. vs. 1021.)
Dit ne sceen geen recht, dat ie soude wesen knecht mijns knechts.
Bilderdyk, in zijne geslachtlijst der Nederduitsche naamwoorden, zegt dat het woord ‘knecht, is: genecht, verbondene, 't zij door ridder- of krijgseed, 't zij in huis- of werkdienst.’ - Deze laatste bijvoeging waarschijnlijk volgens de beteekenis die er in latere tijden aan gegeven is. Omgeven en van Hollandsch Leeuwbanier Voorafgegaan. - De ridderlijke zwier In gang en houding, 't heerschen van zijn blik, Maar eerbiedwekkend, niet een slaafschen schrik, De smaak, waarmêe zijn mantel hem omslaat, De vederbos hem afgolft op 't gewaad, Dat alles wijst op vijfden Floris. - Pligt En liefde tot zijn vader, die 't Gesticht Door hem voltooid, eens zelf gegrondvest heeft, Wiens dierbre schim hem zeegnend hier omzweeft, Bewegen hem dit trotsche praalgebouw Te wijden door een Bond van riddertrouw, In hoede van St. Jacob. - Gindsche gang Ontsluit zich voor den Stichtschen Kerkvoogd; lang In stil gebed, voor 't outer nêergeknield, Verheft hij eindlijk 't achtbaar hoofd, bezielt De ruimte door zijn zilverheldre stem, Die in een wolk van wierook klimt tot Hem
Wiens dienst zich 't eerst de vrome Ridder wijdt. Ik zie het twaalftal, tot den heilgen strijd Geroepen, strijd voor God, voor Eer en Regt; Ik hoor hun eed, op 't Misboek afgelegd; 'k Zie hen geknield rondom den Graaf geschaard, Die, Ridder zelf, hen wijdt door 't ridderzwaard, Door 't goud torkeel, dat hij hun borst omhangt, Hen in zijn Orde - en vriendenarm ontvangt. - (De goede! weet hij 't? - In dier twaalven tal, Is Aemstel ook .... die hem verraden zal!) Nu dreunt de heilgroet door de welven; - speer En schilden klettren, vanen strijken neêr, Trompetten schallen, en - als met één slag, Verdwijnt het grootsch tooneel! -
Een heller dagEen der gewigtigste voorvallen, waarvoor onze Ridderzaal ten tooneele verstrekte, was ongetwijfeld de Groote Vergadering, (dus genoemd om de bijeenkomst van een buitengewoon aantal van Afgevaardigden uit al de gewesten) geopend binnen hare muren op den 18 Januarij des jaars 1651, kort na den onverwachten dood van den Stadhouder Willem II, in den ouderdom van 24 jaren overleden; om daarin te handelen over de gewigtige aangelegenheden van den Staat in die oogenblikken, bepaaldelijk: de Unie, de Religie en de Militie. Deze gebeurtenis scheen mij de gunstigste gelegenheid aan te bieden om de zaal te schilderen als de afspiegeling van een der schoonste tijdperken van de Republiek der vereenigde Nederlanden, toen drie jaren te voren, bij den vrede van Munster, hare onafhankelijkheid van Spanje, na den tachtig-jarigen worstelstrijd, was uitgesproken, hoezeer zij met der daad, die onafhankelijkheid reeds vroeger bezeten en krachtig gehandhaafd had, haar handel zich allerwege verbreid had en haar vlag op alle zeeën wapperde, waardoor de naijver en afgunst van hare gevaarlijke Mededingster, Groot-Brittanje, niet weinig werd opgewekt, wier Gezanten mede in de gemelde Groote Vergadering verschenen, om, zoo het heette, een naauw verbond tusschen de twee Staten te sluiten, 't geen echter niets minder bedoelde dan eene zamensmelting der beide Republieken; en, na het verwerpen van welk voorstel, de bekende Navigatie-acte door het Parlement werd uitgegeven, die de voorname oorzaak werd van die geduchte zeeoorlogen, waarin de staf van het oppergebied der zee, beurtelings overging in de handen van Nederland en van Groot-Brittanje, en die onzen staat tot cene eerste Zeemogendheid verhieven.
Voor deze Groote Vergadering werd de zaal van 't Hof geheel in orde gebragt, de daar aanwezige vendels, kornetten en wimpels, in den tachtigjarigen oorlog veroverd, schoongemaakt, en vele anderen, die elders geplaatst waren, daarbij opgehangen. - De banken tot zitplaatsen der afgevaardigden bestemd, waren langs de muren, amphitheaters gewijs, opgeslagen en met groen laken bekleed, met eene opene ruimte in het midden tot doorgang. Voor den schoorsteen was een langwerpige tafel geplaatst, met tien stoelen, een aan het boven-, een aan het benedeneinde, en vier aan iedere zijde. De stoel aan het oosteinde was bestemd voor den President, die tegen over hem, voor den Griffier, de andere acht stoelen, voor zoodanige Gezanten of Gecommitteerden, als in de Vergadering ten Gehoor zouden worden binnen geleid.
De Heer Pibo van Doma, (bij ongesteldheid van den eigenlijken Voorzitter Frans Donia) die wegens Friesland op zijne beurt den Voorzitters-stoel bekleedde, opende de Vergadering, waarna de Raadpensionaris Cats eene uitvoerige Aanspraak hield, waarin al de te behandelen punten, betreffende de drie hoofdzaken: de Unie, Religie en Militie, werden uiteengezet, en welke Aanspraak hij, onzes inziens, niet ongelukkig aanving met deze betuiging: ‘God vooraf gedankt te hebben, dat deze plegtige bijeenkomst gehouden mogt worden in dezelfde plaats, alwaar weleer de Koning van Spanje was afgezworen, en de grondslagen van 's Lands vrijheid gelegd waren; en alwaar de teekens der behaalde zege elk nog boven 't hoofd zweefden.’ Bilderdyk, die met Cats als Dichter zoo hoog ingenomen is, als of hij den Staatsman en Redenaar beknibbelen wilde, wat hij den Dichter zoo ruimschoots geschonken had, haalt hem, zoowel over deze openingsrede, als over zijne redevoering ten besluite der Vergadering, geweldig over den hekel, en noemt hem ‘den ellendigsten Redenaar, die de wereld ooit opleverde’ (gesch. des vaderlands, IX deel, bladz. 39 en volgg.) Misschien zoude er op deze geweldige afkeuring even veel af te dingen zijn als op den uitbundigen lof aan Cats als Dichter toegezwaaid; ofschoon de billijkheid vordert te erkennen dat de openingsrede niet is vrij te pleiten van groote uitvoerigheid; zoo zelfs dat zij bij de Staten van Holland dikwijls herzien en bekort is. (Zie Resol. van Holl. 12, 14 en 18 Jan. 1651.) Maar beknoptheid was evenmin het zwak van den dichttrant van Cats. Hoe het zij, het trof mij altijd als ik, bij Wagenaar, de vrome stemming van den eerwaardigen Cats, in deze weinige woorden uitgedrukt vond: ‘Hij besloot zijne rede, met eene dankzegging aan alle de Afgevaardigden der Gewesten, en aan Gode, die de raadplegingen, tot hiertoe, zoo merkelijk gezegend hadt.’ Cats, die, op zijn aanhoudend verzoek, thans, na het eindigen der Groote Vergadering, in 74jarigen ouderdom zijn ontslag als Raadpensionaris van Holland verkreeg, sprak, in de Vergadering van H.H.M. de Staten van Holland, geknield een dankgebed aan den Almagtige uit, voor zijne genadige ondersteuning in zijn gewigtig ambt. Ik heb de vrijheid genomen hem die dankzegging, na het eindigen der Groote Vergadering te laten verrigten, die intusschen ook op eene godsdienstige wijs gesloten is, want de gansche Vergadering en andere Hooge Collegien in 's Gravenhage vereenigd, kwamen op den 21 Augustus weder in de groote zaal bijeen, alwaar de Predikant Casper Streso eene plegtige dank-predicatie en gebed deed; en op den 13 September werd er, (er gelegenheid van het gelukkig eindigen der Groote Vergadering, door alle Gewesten een plegtige dankdag gehouden, waarna alom de klokken geluid, het geschut gelost en andere vreugde bedreven werd.
In het Museum van schilderijen te 's Gravenhage bevindt zich eene schilderij, de Groole Zaal voorstellende zoo als zij, ter gelegenheid van de groote vergadering, met de vaandelen en standaarden op de Spanjaarden veroverd, versierd was. Omschittert wand en boog. De reine zaal Ontdaan van al haar vorstelijke praal, Is 't beeld van 't schoon en vrij Gemeenebest, Op burgerdeugd en burgertrouw gevest, En in 't eiment van burgerbloed volbouwd.Toespeling op Vondel's woorden:
De vrijheit is gelegt, In 't kostelick ciment, Van dierbaar burgerbloet.
Dat tuigen vaan en standerd, die ge aanschouwt Aan 't hoog gewelf, van tachtigjaargen strijd De lauweroogst, aan 't Vaderland gewijd! - 't Is of een togt hen statig mischen doet, Op 't naadren van den broeden, achtbren stoet Der vaadren, die den Staat, van steun beroofd, Om 't missen van dat jeugdig Heldenhoofd, (Zoo vroeg, helaas, ten doodslaap neêrgezegen!) Door wijs beleid, ten Schild zijn en ten Degen. Neen, nooit ontleende, in Rome's vrijen Staat, Het Kapitool een luister aan den Raad, Die Cinéas een kring van Vorsten scheen, Als toen, o Zaal! uw cederdak en wanden Omschitterd heeft! - Zij zijn geen Vorsten, neen, Die vaadren! maar, hun reine harten branden Voor de eer van Hem, die, Koning van 't Heeläl, 't Verweesde Land ook nu beschermen zal! - Zijn dienst het eerst, dan de Algemeene zaak, - Ziedaar hun roem, hun duurbezworen taak! - Van daar die ernst in houding en gelaat; Die achtbaarheid, die afstraalt op 't gewaad,
Die klem in woord en daden! - Zie, o zie! Daar rijst de vrome Cats, en buigt de knie, Geheel de Schaar, met neêrgebogen hoofd, Stemt in den dank die hem ontvloeit, en looft Den bijstand van der heemlen Heer! - Ontbrandt Kartouwen nu, en dreune 't door heel 't Land: Voleind is 't werk! - Gezegend Voorgeslacht, Dat slechts van God zijn steun en glorie wacht! -
Zoo draagt ge, o Zaal! van ieder tijdsgewricht, Een blijvend merk; - de Moed, de Ridderpligt; De Vroomheid van een later, schooner tijd, 't Heeft alles u ten heiligdom gewijd. En schoon de Tijd, waar hij den voetstap rigt, Dien zet op 't hoofd van menig trotsch gesticht, Ja, Babels zelfs en Thebe's, (reuzensteden!) In wolken stofs, doet dwarlen om zijn schreden; U spaart zijn voet, U heeft geen menschenhand, (Nog woester soms!) - baldadig aangerand! - Wat zeg ik?... Ja, zij spaarde wand en boog, Maar d'achtbren dos dien de Oudheid U omloog,
Ontwijdde zij door 't misbruik. - Sloopt, barbaren, Dreun, mokerslag, op templen en altaren, Waait, dwarrelwinden, 't stof van heilgen steen, Met heilige asch van 't voorgeslacht dooreen! Nog kroont de Tijd den bouwval met een krans Van klimop, schittrend in den zonneglans; Maar wreeder mij de heiligschennis, die, Aan wat ons rest, ik de Eeuwgeest plegen zie! - Die Geest, voor al wat groot en goed is, koud, Het slijk doorwroetend om een handvol goud, Verneêrde ook u, o Vorstelijke zaal, Ter offerdienst aan dat gevloekt metaal! - De Winzucht, in haar laagst, afschuwlijkst kleed, Die, goud belovend, 't brood des Armen eet, De moeder van het Misdrijf, sluipt hier rond, Met valkenblik, en zaamgetrokken mond, De dorre hand krampachtig uitgestrekt, Waar 't weiflend Lot de hoop op schatten wekt! - o Tuimelgeest! o schriklijke ommekeer! Voor Ridderslag, Gelofte aan pligt en eer, Voor 't vroom gebed van Cats, welks nagalm ruischt,
In d'avondwind, die door de welven suist, - Het wentlen van 't geluks- of onheilsrad!.. En 't joelen van het Kroost van Abram, dat Als hommels gonst en dommelt door 't Gebouw, Waar ook onze eeuw haar merk aan hechten zou!....
Is 't waarheid, wat de Faam mij heeft gemeld, Dan wordt, o Zaal! uw luister dra hersteld, Gewroken door een Vorstelijke hand.Het had bij mij eene onbeschrijfelijk aangename gewaarwording verwekt te vernemen dat een hoog aanzienlijk Persoon het, zoo het schijnt, meermalen opgevatte denkbeeld, tot herstelling van de Groote Zaal in haren oorspronkelijken toestand, had verlevendigd; maar latere, meer stellige berigten gaven mij, helaas, de overtuiging dat dit gerucht ongegrond was, of dat althans deze zaak bij de bevoegde autoriteiten nog tot geen punt van overweging gemaakt was. Desniettemin heb ik de hier voorkomende dichtregelen niet willen onderdrukken, maar ik blijf, met allen die prijs stellen op de instandhouding van de overblijfselen van Oud-Nederlandsche kunst, (zij zijn, helaas, zoo weinige!) den wensch voeden, en dien, waar het pas geeft, met vrijmoedigheid aandringen, dat deze, naar het oordeel van deskundigen, zoo eenvoudig schoone Zaal, een onwaardeerbaar overblijfsel der bouwkunst van de 13e eeuw, en door zoo vele historische herinneringen eerwaardig, voor een thans dreigend verval moge bewaard worden niet alleen, maar ook dat de Hooge Regering dit, in zijne soort, misschien eenig monument, in zijnen vroegeren luister moge herstellen; waardoor het vorstelijk 's Gravenhage, (thans weder de zetelplaats van een Koning Willem II), door zoo vele nieuwe inrigtingen en uitbreidingen verfraaid, eene levende en aanschouwelijke herinnering der Aloudheid zoude bezitten, die een van hare merkwaardigste sieraden zoude uitmaken. Volvoer die taak, o Vorst! wisch uit de schand, Die haar vernêert, het Voorgeslacht ten hoon! 't Is schoon en grootsch en waard een Vorstenzoon, Het voorbeeld van gevoel voor 't heilig oord, Door Vorstenroem en Burgerdeugd omgloord. Herrijz' de Zaal in al haar Ridderpronk, En dat zij 't hart in heilgen gloed ontvonk' Voor de Oudheid, en der Vaadren deugd en moed! -
Zoo gloorde in mij een sprank van dichtergloed, Toen ik, zoo lang mijn Vaderstad ontrukt, Dien dierbren grond voor 't eerst weer had gedrukt.
En, dwalend in uw ruimte, o Zaal! was 't mij, Als ruischte daar me een achtbre schim voorbij, Wiens Vorstlijk hoofd de Keizerskroon omblonk!.. Het was zijn stem; die me als een graftoon klonk, Waardoor ik mij uw' oorsprong zag verklaren, En die ik volg, op 't ruischen van mijn snaren!.. Ontvang dien toon; o mijn geboortestad, Van hem, die nooit uw' dierbren grond vergat; En, rust' zijn stof ook in uw aarde niet, Zijn hart u wijdt, zijn adem en zijn lied! -
Cookies on Poetry Cove