IV.
De Ster, op de borst van den Braven Man,
Moest door de wolk van zijn needrigheid stralen,
En, wat geen zilver, geen goud mogt betalen,
Daar spreekt de Gúnst des Konings van.
Zóó strekt de Brave ten baak voor ons allen!
Maar de Ster, op den rok van een Gek of een Guit,
Lokt het regterlijk oog van de Menigte uit:
Dat schande en spot verplettrend op hem vallen.