Skip to content
1827

Nieuwe gedichten

A.C.W. Staring

Het genezend maal.

't Zat Klaas in d'onderbuik: hij wou' gedurig sterven! Maar 't liep in 't achtste jaar, Hij kwam er niet meê klaar, En Neefje niet aan 't erven. Zijn vrienden lagchen; ongestoord Gaat hij terwijl met sterven voort; Tot eindlijk slaagt (voor 't minst naar zijn gedachten), Waarop hij ze al zoo lang liet wachten.

Eens ochtends luijert hij; men komt aan 't bed: ‘Wel, Man, Hoe is 't?’ ‘Gedaan! - 'k ben dood!’ ‘Dit van uzelv' te hooren Geeft troost! - ge ontbijt toch meê? - Een Lijk, dat spreken kan, Heeft wis ook de eetlust niet verloren!’ ‘Ontbijt! -- toen 'k leefde, had ik boeken, vol van 't geen De Dooden spraken!De sprekende Dooden. - dat zij eten? noem er een Waarin dat staat! míj kwam het nooit te voren. Dus - weg, Verleider! 'k wil een Doô met eere zijn.’ Hij zegt het; houdt het vol; hiet Vrind en Doctor zwijgen; En kost, noch drank, noch medecijn

Is onzen Klaas in 't lijf te krijgen. Begraven moet men hem; dit eischt hij met geweld.

Wat zou' men doen? een klein vertrek werd toegesteld, Gelijk een Grafgewelf. Drie Kisten langs de wanden, Waarop men naam en sterfdag leest, Verkonden, wie er eerder zijn geweest En sluimren, bij den schijn van lampen die daar branden.

Intusschen was, met een bedeesd gezigt, De droeve mare aan Klaas berigt, Dat vroeger reeds de Dood naar andere offers tastte, En elk onthutst is van het plotslijk sterfgeval Dier tafelvrienden, drie in tal, Waarmeê hij zich, een week voor hem zijn eind verraste, Nog op een Mosseltjen, in 't Zeeuwsche Jagt, vergastte.

‘Die Mossels! ja! daar hebje 't al! Die deden 't ons!’ ‘Het kon' ligt wezen! Wij gisten 't meê, en spraken af, Dat, daar u 't zelfde Lot hier wegnam, ook nadezen Eenzelfde Graf U zaam vereenen zou'. Gij maakt dus nog op heden Het Viertal vol, met hen, die u zijn voorgetreden.’

De nacht kwam aan, en Klaas werd, naar zijn wensch, gebragt, Waar reeds in iedre Kist een Levende op hem wacht. Stil was 't, een klein half uur; daar slaat de stadsklok negen; Met één begint Vriend Dirk zich te bewegen: ‘'t Is etenstijd; waar of de Koster blijft!’ Gromt hij, als in zichzelv'. Een echo volgt - van woorden Uit Heins en Jaspers Kist: ‘Ik wed, Sint Velten drijft Hem weêr zijn kroegen langs!’ ‘“De Grafprovisors 'hoorden Zoôn lap te ontzetten, als hij Dooden hongren laat!”’

‘Vergiffnis, Heeren!’ spreekt hijzelf, die binnen staat. Hij brengt een tafeltjen; hij dekt het; uit den oven Snikheet geland, zendt een Pastei haar walm naar boven - Haar geur in 't rond. Een smaaklijk Toebehoor Omringt ze, en, wekt zij dorst, daar staat de Lankhals voor.

Dirk, Hein en Jas hun Kist uit! ‘Welkom, Klaasje! Gij óók hier, na die Mossels? - 'k drink een glaasje Te meer deez' avend, op ons weêrzien, oude Vrind! - Maar hoe zoo roerloos? toch niet blind? - Kijk! ík ben Dirk - die Hein - en die Jas! - Op de beenen! Uit úw maag zijn de Mossels vast verdwenen, Gelijk uit de ónze, toen wij, boven, zijn gekist. Het Maal wacht; kom!’ ‘Dat's meerder dan ik wist’

Zegt Klaas ‘dat Dooden eten! Maar, als het zijn moet, 'k heb het kaauwen niet vergeten, En, bleef ik weigerig, om 't, na mijn eind, te doen, Ik hield, als Doô, zoo 'k meende, mijn fatsoen.’

Zij zitten aan; zij legen bord en beker; En 't einde spreekt vanzelf: voor Klaas was door d'apteker Een spiritus bezorgd, die, in zijn glas geplengd Met handigheid, hem tot bezinning brengt - - En radikaal geneest! - Helpt Eskulaap de zieken Prozaïsch traag - zijns VadersApolloos. hulp heeft wieken!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nieuwe gedichten · A.C.W. Staring · Poetry Cove