Skip to content
1827

Nieuwe gedichten

A.C.W. Staring

Het kanon te Lima.

Men kwam in 't koffijhuis te praten, Van zeker groot Kanon. Bereisde Roel nam 't woord, En sprak: ‘Ik zag weleer een Monster van dat soort! Zwoll met zijn Lange GrietArnhemsche Oudheden, IV. D., 82. moest daar de kroon aan laten! Dit stuk (het hiette de Olifant) Lag op den wal te Lima. 't Is verdwenen, Sinds ik dien hoek doorkeek. De grond heeft in dat land Nooit rust, en slokte 't op. Gij moest geen blaaspijp meenen, Van zes Palm diameter! Zes Goê Ellen was de ruimt'! Verbeeldt u slechts, Mijnheeren: Eens liet er de Pikeur mijn Normandijschen Bles In traverseeren!

‘Sterk! - zeer sterk!’ riep hier Fop ‘maar ik kan 't attesteeren: Bles kwam vóórin - en ik - was áchterin juist druk Aan 't meten van ons stuk! Het tramplen nadert - en bedreigt mijne eksteroogen; - Gaan loopen is hier zaak - doch buiten mijn vermogen - Als langs een vreemden weg! Ik maak, met ras besluit, Den meetstok tot mijn pols, en wip het zundgat uit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nieuwe gedichten · A.C.W. Staring · Poetry Cove