Skip to content
1827

Nieuwe gedichten

A.C.W. Staring

De biecht.

't Werd Paschen; alles ging ter biecht, In, 'k weet niet welke, stad; Waar Pater, 'k weet niet wie, den trek Der meeste Meisjes had.

‘Mijn Vader’ hief Thereesjen aan ‘Ik draag nu 't haar gekapt, En heb mij sedert, dag aan dag, Op de eigen fout betrapt.

'k Hoor overal hoe schoon ik ben! Dit brengt mijn hoofd op hol; 't Weêrstond den hoogmoed vruchteloos, En draait mij als een tol.’

‘“Foei, foei! Maar, zeg eens: bent ge rijk?”’ ‘Och neen; als ieder weet. Mijn jonger zuster is 't alléén; Die erfde van haar Peet.’

‘“Wel nu, zoo heb geen zorgen meer: Uw hoogmoed zal vergaan, Wanneer men om uw Zuster komt, En U, schoon Kind, laat staan.”’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nieuwe gedichten · A.C.W. Staring · Poetry Cove