Eleonora van Engeland, Gemalin van Reinoud den Tweeden, eerst graaf, daarna hertog van Gelderland.
1332-1342.
‘Steek vanen uit van iedren top, Gij Burgstad aan de Waal! Reeds flonkert, langs uw heuvlenrij, De Hoogtijdsmorgenstraal.
Het waslicht in uw Slotkapel, Met d'ochtendglans vereend, Blink', weêrgekaatst van de altaarpracht, Op 't grijze muurgesteent'!
Tooi frissche palm de Ridderzaal, Die Cezars voetstap heugt! Verkondig' helder klokgeklep Uws Graven Bruiloftsvreugd!
De schoone Eleonora komt; Aan Reinouds min verpand: De Koningszuster - Koningstelg! De trots van Engeland!’
Zoo klónk het! en de Stoet verscheen, O Burgstad, voor uw wal; En opwaart trok hij, 't poortwelf in, Begroet van blij geschal!
Het Valkhof juicht - de Looverzaal Hernieuwt het wellekom: Mét dreunt van grover feestgelui Sint Stevens Heiligdom;
En murmlend galmt de Burgkapel Het toongedommel na, Tot zegen volgt, aan 't Echtaltaar, Op 't onherroeplijk Ja.
Nu draalt de Jonglingschap niet meer: Met schutterlijken pronk, Verzelt hun Schaar den Eerewijn - Des Graven Bruiloftsdronk.
En achter hen, den Burgweg op, Volgt tromgeraas en fluit: Ontelbaar krielt een kindsche jeugd Met vlaggenzwier vooruit.
De Gild-os zet, in 't woelig spoor, Zijn loomen waggeltrat. Aan boef en hoornen siert het goud De Huldegift der Stad;
Der Stad, die haars Gebieders vreugd Als eigen vreugd geniet, En de Armoede ook, het Paar ter eer, Geen laafnis derven liet.
Zoo was 't in Reinouds Hofzaal Feest! Feest onder 't schamel dak! 't Gejoel ging op, bij fakkelglans, Toen 't hemellicht ontbrak.
Het zwerk, met nieuwen avondgloed Bepurperd door dien schijn, Gaf Leonoraas bruiloftspraal Te zien aan Maas en Rijn.
En tweemaal kroonde 't wisslend jaar Den onvergeetbren Dag; Daar tweemaal in den moederschoot Een Zoon van Gelder lag.
En tienwerf spreidde een andre Mei 't Herboren gras ten toon; En Reinoud, vriend van LodewijkLodewijk van Beijeren, keizer van Duitschland., Droeg nu een trotscher kroon:
Als Hertog zat hij in zijn Burg; Óm hem zijn grijze Raad; Het peinzen in den strengen blik - Den rimpel op 't gelaat.
En, zie! daar kwam - (den voorhof op; Ter burgt waar Reinoud zat) Een Moeder kwam; met iedre hand Een Kind - een Zoon gevat.
Zij, die - met nieuwen blos gesierd - Van 't bed der smart ontboeid - Versmaad werd door een wuften gaâ, Wiens hart van sluikmin gloeit.
Ach - zij! op wie een lasterpijl Te schaamtloos was gewet: ‘Als heelde ze onder 't boezemkleed Een ongeneesbre smet.’
Zij kwam daar met haar Telgenpaar Ter hooge raadzaal in - De Moeder! schooner door haar smart! 's Lands eedle Hertogin!
Verward springt Vorst en Raadskring op! Eleonoor houdt stand: Ze onttrekt, van spraakkloos wee geschokt, Zich aan der Kindren hand;
Zij rukt het hullend sluijerkleed, Met fieren smaad in 't oog, Ten ongevlekten boezem af, Dien lastertaal beloog!
Straks dekt verdubbeld floers haar weêr, En de angst van 't hart breekt uit, Als nu haar bleekbestorven mond Ter Godspraak zich ontsluit.
‘Hoor’ spreekt zij ‘wispelturig Man, Die mij zoo wreed verstiet! Mijn woord tot u verkondigt straf! - 't Is God, die 't mij gebiedt!
Hoor, Gelder! Met uw Tweetal gaat Die Naam, die Stam voorbij, Wiens voortduur hing aan 't Meerdertal, Dat gij verwierpt in Mij!
Hoor, Gelder! 't snoer der Liefde brak Uw trouwvergeetle hand: Dit Kroost, bij huistwist opgewiegd, Scheurt eens den Broederband.
In dubble heerschaar staat het Volk Naast hen ten strijd onteend; En 't jammer, dat al 't Land vervult, Gaârt vloek op uw gebeent'!
Zoo dreigt Gods roê! Maar gij.... ons Bloed! .... Bidt mét ons! bidt genaâ! Aan 't smeeken van uwe onschuld hangt, Dat zij meêdoogend sla.’
Hier zweeg ze, en ging. Den Hertog vloeit Het doodzweet van 't gezigt; En siddrend buigt zijn knie voor Hem, Die slaaf en koning rigt.
Cookies on Poetry Cove