Skip to content
1827

Nieuwe gedichten

A.C.W. Staring

Emma van Oud-Haarlem.

Aan een Meisje.

'k Beloofde, voor mijn Pand, een Sprookje te vertellen; De tekstbepaling stond u vrij; - Ik vroeg daarom; - een Raadsel zondt ge mij: ‘Het Haarlemsch maatje!’ - Meendet gij, Alweêr dien kleinen Vriend te kwellen - Zoo onafscheidlijk als de werkbuîl, u ter zij'? - Dat lukt u niet, Stout Kind! ik spring zijn kleinheid bij; Door u, wat Emma deed, ten spiegel voor te stellen. Kort zal mijn sprookje zijn: wie mij gebiedt te snellen, Verlangt een schets, geen schilderij.

Oud-Haarlems Heer was bijster klein van stuk; Hij dorst nogtans de rijzige Emma vragen: 't Scheen jok - 't was ernst! en goed geluk Bekroonde 't roekloos wagen.

Geen jaar verliep, of Emma zat Gekluisterd aan de bakermat.

Maar toen ze, als zoogster, van haar diensten was ontslagen, En nu, ten derde maal, na 't vieren van haar trouw, Den boomgaard rijpe vrucht zag dragen, Kwam dolle strijdzucht, onverwacht, Oud-Haarlems vredig erf belagen. Een vijand dringt, bij middernacht, Tot aan de slotbrug door! - 't wordt ochtend: pijlen snorren; Vuur dwarrelt zuizend door de lucht, En steenen bersten, vlugt op vlugt, Uit schrikbaar krijgstuig. Om de zijnen aan te porren, Is kleine Koenraad overal: Wat scheure, of waggle, of krakend nedervall', Men ziet zijn helmpluim langs de tinnen Haar ronde steeds van nieuws beginnen!

Door hém bezield, staan zóó de zijnen pal - Drie bange dagen. Maar de krachten Des Burgtlings flaauwen meer en meer: Hij moet ze kwisten, en geen rust herstelt ze weêr. De slaap drukt, zwaar als lood, het oog der wachten, En, schoon geen wond hem trof, zijgt vaak een strijder neêr.

Inmiddels gaart de Vijand, onverdroten, Wat, bij 't bestormen, hem de baan Tot aan den muurvoet oopne. Mijmrend gaan, Daarbinnen, hand in hand, de jeugdige Echtgenooten,

Naar 't kribje, dat hun Eerstling houdt besloten; Om (vruchteloos!) weêr raad te slaan.

Wat stoort hen? een trompet! zij neigen luistrende ooren, En een Heraut laat deze boodschap hooren: ‘Vrouwe Emma, met haar spruit, verlate 't slot in vreê, En drage een korfvol van haar kostbaarst veilig meê. Sint AagtensAagtenkerk, thans de Beverwijk. Kapellaan heeft deze gunst verkregen, Voor háár, die 't outer steeds pligtvaardig heeft bedacht. Zij gá! - wie blijft, zie, voor den tweeden nacht, Storm van rondom op deze Veste tegen.’ Hij spreekt het, en spoedt heen. Door Emmaas tranen lacht Een schalksche blik, langs Koenraad afgegleden, Terwijl zij roept: ‘Gelukt mijn daad, Oud-Haarlem, en de Man, voor wiens beknopte maat Mijn Draagkorf ruimte biedt, wordt door geen tijd vergeten. Ik wil voor niets geen Emma heeten! Droeg mijn GenantDe mandragende Maagd van Vader Cats. haar Eginhard - mijn Koen Draag ik - en zal 't dit gastjen teffens doen. - - Geen tegenspartlen, Koen! - vríj wordt gij! deze muren - Niet langer houbaar door uw moed - Redt uw beleid, in weinig uren, Als Assendelft hier met u henen spoedt; -

En 'k trouw zijn broederhart!’ Door kussen afgebroken, Had Emma dus haar woord, bij zoeten twist, gedaan, En won het pleit. In vrouwentooi gedoken, Wordt haar de Sluikvracht opgelaân; Het wicht heeft in haar arm zijne oogjes toegeloken; De brug daalt; en zij gaat. Wie onder 't welf bleef staan, Was Hans, de Dwerg. Zijns Meesters dosch vermomde Den guit. Hij hield zijns Meesters rol, Ook na 't gebaarspel van een treurig scheiden, vol, En zag, tot Emmaas weg zich tusschen puinen kromde, Haar van den drempel na. Zij treedt het leger uit, Door hand noch tong gekrenkt, maar houdt niet op te sagen, Voor 't Pand, als roof den Burg ontdragen, En stolt tot ijs, op 't minst geluid. In 't eind nogtans bereikt zij de Elzendreven - De haven van haar hoop! Het groen heeft haar omgeven; Haar kostbre Last is neêrgezet; - Haar Koenraad is gered! - Hij klemt haar aan zijn borst; en, schoon 't getrappel nader' Van vlugge hoeven - schoon het flonkre door 't geblader, Van lans en schild - hen dreigt geen nieuw gevaar! - Neen! welkom, welkom zijn de tuigen, Ter regter stond verzaamd, waar zich de takken buigen,

En mede siddren, als van vreugde, boven 't Paar!

Groothartige Assendelft, met zijn Vassallenschaar, Kwam beider bede voor!

De Vijand kent zijn Stander, Van ver: het middaglicht bestraalde 't zilvren paard, Op 't wapprend karmozijn! 't werd doodbleek aangestaard; En straks, in ééne vlugt gemengeld door elkander, Bergt hopman zich en knecht. Het toebereide maal Blijft wie 't begeert ten prooi gelaten! De Burgtling spaart dien buit, zijn Gasten tot Onthaal. Geen matheid drukt hem meer: door juichende onderzaten Ziet Koenraad Emmaas baan met eerepalm gespreid. Naar tent bij tent, tot disch bij disch geleid, Zit alles áán, en laat zijn blijdschap hooren, In steê van schorren wapenklank. Rondom galmt Emmaas Naam! Rondom 't gezang der koren, Wier lof zich paart aan Koenraads stillen dank!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nieuwe gedichten · A.C.W. Staring · Poetry Cove