Lochem behouden.
in 1590.
Portiers Jan voerde daags de jongens aan, Naar Lochems school, en naar de kegelbaan. 's Nachts was het stroopens tijd! Als beurteling Zijn weg, nu oost, dan west, door 't jagtveld ging, Draafde onze Nimrod voort, op 't scheemrig pad, Of 't Molen- of Bagijnstraat, in de stad, Bij klare zon was. Doch, om haas noch hoen, Slechts om 't gevaarlijk spel was 't hém te doen! Een spreeuw, een uil te ontnestlen, in den muur Van 't leêgstaand klooster, was geen avontuur Zijns moeijens waard! zijn weg ging steiler op: Den raaf na, in een mossig' eikentop.
Maar nú was Jan verbluft! De Spanjaard zat En loerde uit Zutphens wal. Jans Moederstad Vroeg angstig hulp; Ballochi kwam; en, ziet, De poort lijdt sinds het nachtlijk zwerven niet; Het krijgsvolk speelt den meester op de baan; Uit heeft de jagt! het keeglen is gedaan!
‘Eilaas, wat raad! - Korts ook, van school, volleerd Naar huis gestuurd! - hoe leêggaans last geweerd!’ Zoo zucht Jan, en hij druilt den Berkelkant Diepmijmrend langs: ‘Ik neem de spaâ ter hand!’ Staat eindlijk bij hem vast. Zijns vaders hof Ligt woest; daar zet hij 't werk op, om den lof Van Baas-Tuinier te winnen: hem genoegt Niets kleins! Ook drijft hij 't spitten, dat hij zwoegt! En vangt steeds met ‘Wilhelmus’, in de vroegt', Luidruchtig aan. Zoo deed hij zeekren dag, En had, van voor de poort die bergwaart zag, D'ontheinden weg in 't oog. En, breedgelaân Kwam, door de kloof des bergs, een hooivracht aan, Nog een! nog een! - ‘Hooi! hooi!’ roept onze gast ‘Hier dient op 't voordeel van de koe gepast: Het plukken is een regt, dat bij de poort, In oorlogstij'en als in vreê, behoort. Dat handhaaft Jan! Kijkt toe!’ De wagen kwam, Die, 't voorst van driên, den weg naar 't stadje nam, En wrikt het valhek binnen. Jan is klaar: Hij plukt - hij plukt - vijf, zes keer na elkaâr - En vat in 't lest.... twee voeten! en ‘Verraad! Moord! Spanjaards! Spanjaards!’ gilt hij door de straat.
En snel, als jong en oud te wapen rent, Stuift ook de vijand krijschend overend - De wagens af - de wacht in - en de Dood Hen na! - Geen ponjaard mist zijn doel - geen lood! - Toch staat de kleine hoop der weerders pal! Wond wordt met wond vergolden - val kost val!
Maar - 't ruime veld in dreunt het krijgsgeschal - Fluks leven struik en greb! de hinderlaag Stort binnen! 't rot der helpers groeit gestaâg Aan 's vijands zij! of leeuwenmoed de schaal Des worstelkamps in wanhoop effen haal' - Ze ontsnapt weldra aan te ongelijk een magt - De strijd houdt op - de dappren zijn geslagt!
Nu schiet, van bloed verzadigd - niet van buit! Des toelegs Hoofd en Raadsman 't moordhol uit. Het spoor langs, dat naar 't hart der vest geleidt, Naakt hij, waar 't krommend zich ten tweesprong scheidt. Slechts één, wiens spaâ zijn krijgstuig werd, schuilt dáár! De Jongling ziet en kent hem, den barbaar - Zijns namaags beul, toen Alvaas zoon gebood, En 't ijs voor Zutphens poorters zich ontsloot!De moord van Zutphen, in 1572. Hij kent hem, en roept grimmig: ‘Lig daar, schelm!’ En plettert hem de breinschaal met den helm!
Verbijsterd stáán zijn volgers in hun loop, Als achter hen Ballochis wakkre hoop Aanstormt! Pansier en pijrok, bijl en zwaard, Lansknecht en burger, jong en oud gepaard!
De vijand scheurt een open in dien drom, Maar wrekend staal valt op hem van rondom: Wat doorbreekt waagt geen rugtred! Alles vliedt, Tot waar de poort een weerbare engte biedt Aan de ingeslonken schaar. Hier vastgeperst, Wendt zij haar spits. Te koen! het lontroer berst Verdelgend los! 't geschut, eens bolwerks kruin In wed-ren afgesleept, bestelpt met puin, Wat door geen ijzer valt! - zíj́n kracht beslist!
Triomf! triomf! de laatste kogel sist Den vijand na! de feestklok en de stem Des orgels roept het juichend volk tot hem, Die uitkomst gaf! Ballochi zoekt den Held, Wiens regte den verrader heeft geveld, En gespt hem, voor elks oog, den degen om; En vaandrig Jan trekt op naar 't Heiligdom.
Cookies on Poetry Cove