IX.
Zangkoor.
Poogt Hem een lied te danken,
Wiens gunst den Redder zond,
Te zwak zijn onze klanken,
En te onrein hart en mond.
Doch wijdt uw Naam de toonen,
Gij, die in 't stof kwaamt wonen,
Zoo schenkt des Vaders oor
Het prijzend lied gehoor,
Laat dan een lied hem danken,
Wiens gunst den Redder zond;
Al flaauwen ook de klanken;
Al feilen hart en mond.
Laat blijvereende wijzen
Des Vaders goedheid prijzen;
En aller stemmen koor
Klimm' feestlijk tot zijn oor!