Wichard van Pont.
I.
Verschrikking heerschte in Zutphens muur; De bleeke burgerschaar Lag, weenend bij der priestren zang, Voor Walburgs kerkaltaar.
‘Ach, Heiligste, zoo vast betrouwd! Met zoo veel danks vereerd! Wat misdrijf heeft uw waakzaam oog Dus van uw volk gekeerd?
Waar doolde 't, toen onze eêlste jeugd, Tot 's Nabuurs hulp gesneld, Een prooi van 't gruwzaamst Monster werd, In Ponthis bloedig veld?
Al strijdt de Drakenmuil met vuur; Zijn klaauw met tijgerkracht; Uw enkle wil, en 't helsche Dier Was, als een lam, geslagt!’
Zoo kermt de schaar; zoo jammert zij, O Wichard, die gij mint! De jeugdige Erv' van 't Zutphensch land, Graaf Hermans dierbaar Kind.
Zij ligt... neen, zwakke citer, zwijg Hoe zij daar biddend lag! Neen, zwijg, hoe Margareta's oog Door englentranen zag!
Door tranen, die haars minnaars ziel Van 't lieflijk aanschijn dronk; Daar, om hem, volk en heiligdom In schemernacht verzonk.
Nog wanklend, siddrend van den gloed, Die hem in 't harte voer, Beklom hij 't outer; zag op haar; En vatt'e 't kruis, en zwoer:
‘De Hemel wil 't, ik zal 't bestaan! Geen slaap, die mij verkwikk', Tot Ponthis Vloek mijn arm beproeft; En 't Schrikdier sneeft, of ik!’
De Brave zwoer 't, en rent van daar, Wijl 't nuchter veld nog douwt, En rust niet, tor het volgend licht Den grooten kamp aanschouwt.
‘Voor God en Haar’ is al 't gebed; Met springt hij stout van 't ros; 't Vizier gaat digt, het slagzwaard uit, De held op 't monster los.
Hij nadert, door een' eik gedekt, Waaraan zijn vijand ligt; Langs stapels van verplet gebeent; En stuift hem voor 't gezigt.
Geduchte strijd! gewaagde kans! Daar klaauw, en tand, en vuur... Daar 't Vloekdier dubble wapens voegt Bij dubble kracht ten stuur!
Vergeefs dat Wichards ridderkling De vaart des bliksems tart; Geen zwaerd, of 't stuit van schelpen op, In 's afgronds poel gehard!
Geen scheidt er van den kronkelstaart De giftvlijm, tuk op moord; Terwijl hij, 't harnas doorgedrild, Tot diep in 't leven boort!
‘Zwicht Wichard!’ neen! hij grijpt den dolk, Zijn ongekenden schat, Die 't al, waaraan de zege hangt, Naar 's noodlots eisch, bevat:
Een scherp, dat driereis negenmaal Vererfde in d' eigen stam; Dat, nooit het regt ten smaad misbruikt, Van neef op neven kwam;
Dat GelderDezelfde met Geltar, genoemd in het elfde toeneel van Klopstocks Hermanns Schlacht. zwaaide, in Varus Slag, En, bij den Lippevliet, Gestruikeld aan der Bruktren spits, Het nakroost overliet.
Hij grijpt dat scherp! Het ijzer dringt Tot 's vijands ingewand! Daar spert het Dier zijn kaken op, Van felle smart vermand!
Het schreeuwt, terwijl in 's Ridders hart Eene eerste ontzetting rijst; Het schreeuwt, en 't is een menschenstem, Die uit zijn gorgel krijscht!
Hoort: ‘Gelder!’ schreeuwt het ‘Gelder!’ hoort, De heuvlen galmen 't rond; 't Huilt ‘Gelder! Gelder!’ boven 't zwerk; 't Bromt ‘Gelder!’ door den grond.
Zoo spilt de Plaag haar kracht; zij stort; Zij knakt den eikenstam; En 't Helspook, dat den romp verlaat, Keert weêr van waar het kwam.
Doch Wichard zingt geen zegezang; Zijn palm behoort der min! Hij slaat het spoor ter naaste burg Bescheiden zwijgend in.
Ga! edel Krijger! brandt een gift Verraadlijk in uw wond; De Hemel hoort het smeekgebed, Uit der verlosten mond!
Gewis, gij leeft, gij bouwt uw Stad, Van Wije en Niers gedrenkt; Hier, waar zij 's Monsters lesten kreet, Uws Stamheers Naam, gedenkt!
Een Naam, die ook mijn Vaderland Aan 't vorstlijk voorhoofd blinkt! Een Gelder, dat, na duizend jaar, Nog over de aarde klinkt!
Cookies on Poetry Cove