X.
(Evangel. gez. Nr. 4, vs. 1, 7 en 8)
Gemeente.
De Heer is God, en niemand meer!
Verheerlijkt hem, gij Vromen!
Wie is als aller scheps'len Heer,
Zoo heerlijk, zoo volkomen?
De Heer is groot, zijn naam is groot,
De luister zijner deugden groot,
Oneindig groot zijn wezen.
Gij zijt regtvaardig, heilig, goed;
Bij reinen wilt gij wonen.
Hem, die uw' wil met vreugde doet,
Zult g' ook met vreugde kroonen.
Gij hebt d' onsterf'lijkheid alleen.
Hoogst zalig zijt g' in eeuwigheên,
O rijke Bron van vreugde!
Of zou' de gloed dier majesteit
Mij zondaar ook verteren?
Neen! nu 't geloof uw heerlijkheid
In Christus mag vereeren,
Nu klimt mijn lied: de Heer is groot!
De Heer is onuitspreek'lijk groot!
Oneindig groot in liefde!