Opdragt der kerkgezangen, aan
Winanda Mathilde,
Caroline Sophie,
Hugo Karel,
Maurits Everard Hugo,
Winand Carel Hugo,
Charlotte Everdina Winanda,
Willem Constantijn Arnold,
Mijne Lieve Kinderen.
(Geschreven in Sprokkelm. 1819)
Mijn Zevental; (zoo lang geen Achtste PandConstancia Ernestine Theodora, aan ons gegeven den tweeden April 1819.
De Kroon siert, die uw Moeders hoofd omspant;
Zoo lang geen Nieuwe Zorg het Hart belast,
Aan 't uwe en 't mijn met dubble snoeren vast)
Mijn Zevental, ik wij' u deze Blaân!
Moog' hier, na mij, dit Liefdeteeken staan.
Verdorr' mijn Krans, maar spreke nog dit Woord
Uw Grijsheid toe, en zij 't van God verhoord!
‘God blijve uw schild! Uw paden rigte Hij,
Het dreigend en het lokkend Kwaad voorbij.
Hij veste uw oog, door 's waerelds neevlen heen,
Op 't eindperk, dat, na 't scheiden, ons hereen'.
Is u geen Hooge Staat, geen Weeld' bereid,
Zijn Vaderhand geve u Genoegzaamheid.
Zij geve u rust na zwoegen; kalmte in leed;
En, prangt de Nood, een Vriend tot hulp gereed.
Zij schenke, uit al het aardsche, u 't Beste Goed:
Eens de Oudervreugd, die Gij mij smaken doet!’