VIII.
Zangkoor.
Gij Feest, gevierd door 't juichend christendom;
Gij Feest van Bethlems Nacht!
Gij Lied, des Danks, die naar den hemel klom,
Voor 't Heil ons toegebragt!
Bind gij eens 's waerelds volken zaam;
Van op- tot ondergang!
Zij Jezus Komst, en Jezus Naam
Eens aller Feestgezang!
De ster gelijk, die, boven Ephrata,
Ten Wonderteeken stond,
Blink' Waarheids glans, dat ieder tot Hem ga,
En luistre naar zijn mond.
Dat, wie daar twijfelt, kome en zie,
En spreke: ‘uw juk is zacht!’
Dat Liefde als hoogste wet gebiê,
Bij Adams Nageslacht.
Daal zoo de Geest òp al uw Kindren neêr,
O Vader! wek dat licht! -
Voltooi uw werk; ontsluit elks oor, o Heer,
En open elks gezigt! -
Roepe een altaar de Volken zaam;
Van op- tot ondergang!
Zij Jezus Komst, en Jezus Naam
Het groote feestgezang!