VI.
Zangkoor.
Des Heeren voet, doorboord bij 't smadig lijden,
Verlaat het graf, het eindperk van zijn strijden,
En om hem juicht de morgenstond.
De nevel slinkt; hij ziet den Kruisberg glimmen;
Waar nu geen smart, geen wreevle haat meer grimmen;
Waar kalmte heerscht, en vrede in 't rond.
Hoe zou' hem daar - hoe zou', met feestgezangen,
't Verzameld Koor der Englen. Hem ontvangen,
Die 't Rijk des Afgronds zwichten deed!
Maar toevend slaat de Helper Vol Genade
Haar, die hem zoekt, in heur bedruktheid, gade,
En stilt met blijden troost heur leed.