Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

LIII Lied. Voize Psalm VIII.

1 Drieëenigheid! Aanbidlyk Opperwe- zen! O Licht van Licht verheerlykt en ge- prezen! Wiens Almagt zich tot 's waerelds

cind uitstrekt, En 't gansch heelal met Zy- nen glans bedekt: 2 Wy loven U, zoo ras de Zon haar straalen Uit 't Oosten schiet, en als z' in 't West gaat dalen! Al wat 'er leeft, o He- mel Majesteit! 't Is alles steeds tot Uwen dienst bereid. 3 O ryke schat, o Onbegrypbaar Wezen! Wat Schepzel kan die Godsgeheimen le- zen? O diepe bron, o onnagaanbre

kracht! Hoe groot ô God! hoe groot is Uwe magt! 4 Wie heeft toch hier Uw wegen uitge- vonden? Hoe kan een mensch ooit Uwen Raad doorgronden? Weg aardsch vernuft, het diepst doordringend oog Vindt dit ge- heim oneindig ver te hoog. 5 Wat poogt Gy toch, vermeet'le Sterve- lingen, In Gods bestaan en wysheid door te dringen? Zoo God niet Zelv' U onder-

wyzen wil, Gy raakt verdoold, of staat onkundig stil. 6 Leer ons, o Heer! leer ons, ten allen tyden, In Eenen Drie en Drie in Een be- lyden: O Vader Zoon en Geest, leer ons altyd, Dat Gy Eén God in Drie Persoo- nen zyt. 7 Laat ons verheugd dit woord gedurig zingen, Uit Hem door Hem tot Hem zyn alle dingen. Gods lof en Eer word' eeu-

wig uisgebreid! Ja! Amen! ja! zegt al de Christenheid. 8 Uw Naam zy Groot, Uw Ryk moet in ons wonen: Uw wil buig' ons; wil onze schuld verschoonen: Verzoek ons niet, red ons uit 's boozen magt: Uw is het Ryk de Heerlykheid en Kracht!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove