De naar de Eeuwigheid snellende. CXLII Lied. Voize Psalm LXXXIV.
1 Myn leven is een vreemdlingsstand: Ik ben op reiz' naar 't Vaderland, Naar
het Jeruzalem hier booven, Die stad, die God heeft vast gegrond, Op 't bloed van 't eeuwig heilverbond; Daar zal 'k myn God gestadig loven. Myn leven is een vreemdlingschap, Naar 't Vaderland doe 'k stap op stap. 2 Zoo ras 't geen ik aanschouw, zoo ras En schichtig loopt myn levensglas: Niets keert te rug, als 't is vervloten: Ik yle zoo
naar d'eeuwigheid. O Jesus! maak my toch bereid! Ach! werd myn oog door U ontsloten, Geef, dat ik 't aardsche draf veracht', En naar 't bestendig heil- goed tracht'! 3 Geen reis kan zonder moeite zyn, De levensweg baart ook wel pyn; Men wan- delt niet langs roozen dreven: De weg is eng en hun getal Is groot, die doelen op
myn val, 'k Moet vaak door scherpe doornen streven, Door dorre wildernis- sen gaan, Daar 'k zelfs geen uitweg in kan slaan. 4 Hoe vaak verdwynt voor myn gezicht Die Zon, door wier genade licht, De Ziel des vroomen wordt beschenen: Vaak treft m' een regenbuy en wind, Zoo dat myn Geest geen stilte vind'; Maar al
die smert is ras verdwenen, Wyl ik, wat leed my ook gebeur', Mag staren op de he- meldeur. 5 O Gy, die Israël behoudt, En zelv een vreemdling worden woudt, Toen Gy ons vleesch hebt aangenomen, Toon my in 't woord, Uw gangen aan: Laat my, hoe verder ik zal gaan, Steets nader aan Uw heilgoed komen: Myn tyd vliegt heen, ach!
heel myn smart! Kom herwaards, als een rennend hart. 6 Geleid my heilig door Uw Geest: Maak my geduldig, onbevreest: Laat my niet wank'len in myn schreden; Ik val gestadig, help my dra: Trek my, dan loop ik Heer U na: Zyt Gy myn schild in tegenheden: Geef, dat ik nooit, in duisterniss, Het licht van Uw
Genade miss'. 7 O Heilfontein! zoo groot van kracht! Wanneer myn hart door dorst versmacht, Laat my dan laafenis ontvangen; En als myn Ziel van 't lichaam scheid, Voer my dan in de zaligheid, Daar stryd, of ramp ons nooit zal prangen: Laat my daar zyn in Abrams schoot, Uw lieveling en huisgenoot.
8 Ben ik dan hier, in Mesegs tent, Der blinde waereld onbekend, Myn echte vrien- den zyn hier booven, Daar zal ik, met die zaal'ge schaar, U, met geheiligd vreugd- gebaar, Ten blyk, van reine liefde, loven. Myn Bruidegom vertoef niet lang, 't Valt my in Kedars hutten bang.
Cookies on Poetry Cove