Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

Van der menschen zondenval en elende De door Adam gevalle, en door Christus weder opgerichte Zondaar. LX Lied.

1 Door Adams val is 't gansch geslacht Der menschen heel verdorven. Dit gif is voort in ons gebracht: Nooit waar 'er hulp verworven, Was Adams kroost Door 's Heeren troost Niet vrygemaakt van schaden, Die Satans magt Op Eva bragt En op haar had geladen.

2 De Slang had haar daar toe bekoort. Zy viel en deed ook vallen Haar man, dus werd veracht Gods woord; Waar door zy ook ons allen Bragt in den dood: Doch in dien nood Heeft God ons willen geven Zyn lieven Zoon, Uit zynen Troon, In wien wy kunnen leven. 3 Gelyk wy dan, door Adams kwaad, Gods gramschap moesten lyden: Zoo wil ons Jesus in der daad Van schuld en straff

bevryden. En daar 't heelal, Door Adams val, Was geestelyk gestorven; Zoo heeft de Heer Door Christus weer Zyn erfdeel heil verworven. 4 Schonk God aan ons Zyn Eigen Zoon, Toen wy noch Zondaars waren, Die ster- vend' hong aan 't Kruis ten toon, Doch weer is opgevaren: Daar door wy zyn Verlost van pyn En in Gods Gunst geko- men, Naar 's Vaders woord, Die ons ver-

hoort, Wie zou den dood dan schroomen? 5 Hy is de weg, het licht, de poort, De waarheid en het leven, Des Vaders Raad en Eeuwig Woord, Van Hem aan ons gegeven Ten toeverlaat, Die open staat, In wien wy vast gelooven. Geen Ramp- spoeds nacht, Noch 's Vyands magt, Kan ons aan Hem ontrooven. 6 Die mensch is Godloos en vervloekt; Die zal geen heil aanschouwen, Die niet

by God vertroosting zoekt, Maar op het vleesch wil bouwen. O! arme Ziel! Die 't ooit geviel Een andren troost te wagten, Dan by God is, Gy zult gewis! Door 's duivels list versmachten. 7 Wie hoopt op God en Hem vertrouwt, Wordt nooit in smaat gedompelt: Wie op dien vasten Rotsteen bouwt, Wordt nim- mer overrompelt. Wat tegenspoed Hem hier ontmoet, Hy zal ten val niet komen,

Wie God geheel Kiest tot zyn deel. Want Hy bewaardt de vromen. 8 Ik bid U, Heer! uit 's harten grond, Ai! wil toch nimmer weeren Uw heilig Woord van mynen mond: Dan zal geen schuld my deeren. In schand' en schaâ Op Uw genaâ Zal steeds myn hoope wezen. Die op U bouwt En vast betrouwt, Zal voor den dood niet vreezen. 9 Uw Heilig Woord is voor myn voet Een

licht, dat met zyn straalen, My op den le- vensweg behoed Voor 't onverstandig dwa- len. Zoo ras dat licht Het Ziels gezicht Beschynt, kent men dien zegen, Dien God hem geeft, Die daar naar leeft, En hoopt in all' Zyn wegen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove