II. Lied.
Voor de Namiddag Predikatie.
1. Groote God, daar wy nu saam Zyn ver-
gadert, om te hooren Naar uw Woord, in
uwen naam, Leer ons, open gy onz' ooren.
Trek ons hart tot U naar boven, Zo zal on-
ze ziel U loven.
2. Onze kennis en verstand, Zyn berooft van
licht en straalen, Zo niet 's Geestes goede hand
Geestlyk licht in ons doet dalen; Goed te wer-
ken, goed te denken, Moet gy zelfs Heer aan
ons schenken.
3 O Gy glans der Heerlykheid, Licht van licht
uit God geboren, Maak ons allen regt bereid,
Open harten, monden, ooren; Hoor ons bid-
den, smeeken, zingen, Laat het tot uw troon
indringen.
Na de Predikatie.
4 Hoogste God, dank zy Uw Naam, Dat g'onshebt
uw Woord gegeven; Geef genade, dat wysaam
Naar het zelve heilig leeven. Wil zo ons ge-
loof versterken, Dat het vruchtbaar zy in
werken.
5. Onze Vader, God en Heer, Die ons onzen plicht
wilt leeren, Zend uw Geest toch op ons neêr,
Werk Gy in ons het begeeren, En, door
uw genade krachten, By het willen, het be-
trachten.
6. Schenk ons, eer wy van hier gaan, Uwen Vader-
lyken Zegen; Laat uw hulp steeds by ons staan
En geleid ons op uw wegen, Dat wy hier
het goede smaaken, En hier na in vreugd ont-
wakken.