G Van de Heiliginge en Kenteekenen der Kinderen Gods. Bede om vorderinge der Heiligmaakinge. LXXXVIII Lied. Voize Psalm XLII.
1 Levens Zon, die door het duister, Met Uw straalen schittert heen! Alle glans
is by den luister Uwer heerlykheid te kleen: By U, is de goude pracht Van de starren enkel nacht: Zon en Maan, die groote lichten, Moeten voor Uw luister zwich- ten. 2 'T Zyn verkwikkelyke straalen, Die het Zonlicht neder schiet: Alles moet in vreug- de praalen, Wat Uw gunstryk licht ge- niet. Gy hebt, midden uit den nacht, Licht en leven weergebracht: Toen Gy
leed in 't aklig duister, En de Zon ver- borg haar luister. 3 O hoe scheen daar in het donker, Daar Gy tusschen moorders hingt, 'T liefde vuur met hel geflonker Daar G' Uw kindren meê omringt, Toen Gy 's Afgronds helschen damp, Doofde, door Uw zwaa- ren Kamp! Anders deden helsche strikken Rook en zwavel ons verstikken. 4 Kom dan Jesus, dat Uw klaarheid Schepp',
uit 't zondig donker, licht. Toon aan my den weg der waarheid; Toon Uw glans- ryk aangezicht, Dryf het duister uit myn ziel, Die, ter woning', U geviel. Laat de Satan nooit verwerven, Dat ik dit Uw licht moet derven! 5 Heer! Gy ziet, ik lig in 't duister: Dwa- ling heerscht in myn gemoed: Wyl myn ziel noch mist dien luister, Die haar hel- der schynen doet. Wanneer zal myn Geest
dien glans Krygen uit den Hemeltrans? Ach! dat alles eens mogt sterven, Wat Uw schynzel wil bederven! 6 Waart Gy 't niet, die uit het donker, Daar de waereld eerst in lag Godlyk riept het hel geflonker? En hoe schielyk werd het dag? Sterke God, daar 't al voor zwicht, Zeg noch eens, het worde licht! Laat zich nooit des vleesches lusten Tegen U ten stryd' uitrusten.
7 Laat my in uw licht steets wandlen, Morgenstar vol heerlykheid! Laat my zoe- ken zoo te handlen, Als Uw woord my heeft gezeid: En gelyk Gy zyt geteeld, Naar uws Vaders heerlyk beeld, Laat ook alzo toch uw straalen In my Uw gelyknis maalen. 8 Ik moet heilig zyn, en maken, Dat 'k U ken, gelyk gy my: 'K moet als gy in lievde, blaaken: Geef dat 'k daar toe mag-
tig zy! Scheen Uw Godlyk licht wel eer, In den engen Tempel, Heer! Waarom zoud G' U wygrig toonen, Om in mynen Geest te wonen? 9 Woon en heersch, bestraal en heilig My, die geef u 't gansch gemoed: Maak my door Uw sterkte veilig: Zend in my Uw licht en gloed: Eene Zon is 's Weerelds vreugd! Eene Zon myn hart verheugt: Zou die warmte my verlaaten, Wat zou my
dan 't leven baten?
Cookies on Poetry Cove