LXII Lied.
Voize Psalm XXX.
1 Wie ben ik, Zondaar, aardsche
worm, O Allerhoogste Hemelheer? Wie
ben ik, die door fellen storm Gelyk een
schip, sla heen en weer? Wie ben ik, dat
Gy my wilt leiden En als een goede her-
der weiden?
2 Wie ben ik, stof en slyk en asch? Ver-
heven God! Gy kend myn staat: Hoe my
de dood beschoren was, Geheel bemorst, be-
smet en kwaad; En nochtans komt Gy
my genaken, Om my goedgunstig vry te
maken.
3 Wie ben ik Heer? myn Ziele schat! Ik
lag te went'len in myn bloed: Maar Heer
Uw mededogen had Een rustplaats voor
myn bang gemoed. Wie ben ik, dat Gy,
Heer der Heeren, Wilt in myn laage hut
verkeeren?
4 Wie ben ik? wat 's myn huis? o Heer,
Wat is toch myner Oud'ren stam? 'k Lag
zonder hoop en redloos neer: 't Is zondig
zaad, waar uit ik kwam. Het lyf des doods
blyft daaglyks kwellen En wil m' in zonden
kluisters knellen.
5 En echter zaagt Gy Uwen Knecht O Je-
sus! met erbarming aan: Gy bragt hem
wederom te recht, Om eeuwig voor Uw
Troon te staan. Wie ben ik? Heer, wat is
myn woning, Dat Gy my leerdt en leidt
als Koning?
6 Ik ben niet waardig, Davids Zoon,
Dat Gy U tot my Zondaar wendt, Waar-
om verlaat Gy Uwen Troon, En geeft
m' Uw Zelv', in myn elend? Wat is mynhuis
door U verkoren? Ik ben die Zoon, die
was verloren.