Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

LXII Lied. Voize Psalm XXX.

1 Wie ben ik, Zondaar, aardsche worm, O Allerhoogste Hemelheer? Wie ben ik, die door fellen storm Gelyk een schip, sla heen en weer? Wie ben ik, dat Gy my wilt leiden En als een goede her- der weiden? 2 Wie ben ik, stof en slyk en asch? Ver- heven God! Gy kend myn staat: Hoe my

de dood beschoren was, Geheel bemorst, be- smet en kwaad; En nochtans komt Gy my genaken, Om my goedgunstig vry te maken. 3 Wie ben ik Heer? myn Ziele schat! Ik lag te went'len in myn bloed: Maar Heer Uw mededogen had Een rustplaats voor myn bang gemoed. Wie ben ik, dat Gy, Heer der Heeren, Wilt in myn laage hut verkeeren?

4 Wie ben ik? wat 's myn huis? o Heer, Wat is toch myner Oud'ren stam? 'k Lag zonder hoop en redloos neer: 't Is zondig zaad, waar uit ik kwam. Het lyf des doods blyft daaglyks kwellen En wil m' in zonden kluisters knellen. 5 En echter zaagt Gy Uwen Knecht O Je- sus! met erbarming aan: Gy bragt hem wederom te recht, Om eeuwig voor Uw Troon te staan. Wie ben ik? Heer, wat is

myn woning, Dat Gy my leerdt en leidt als Koning? 6 Ik ben niet waardig, Davids Zoon, Dat Gy U tot my Zondaar wendt, Waar- om verlaat Gy Uwen Troon, En geeft m' Uw Zelv', in myn elend? Wat is mynhuis door U verkoren? Ik ben die Zoon, die was verloren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove