CXXXVII Lied
1 Op myn Geest, Gy moet ontwaken! 't Lust my tot den Troon te gaan, Om Gods Naam nu groot te maken, Voor het goed' aan my gedaan; Wyl Hy my, door Zyne hand, Voor bedroeftheid, schaê en schand', En zoo veelerlei gevaren, Wou,
den ganschen dag, bewaren. 2 'k Zal Uw lof alom doen hooren, Va- der der barmhartigheid! Wyl geen on- heil my kon stooren In het werk, my op- geleid; Wyl Uw Goedheid myn gemoed Heeft voor menig kwaad behoed, En myn vyand wou verjagen, Zoo dat 'k vry ben van zyn slagen. 3 Zou een menschen tong verhalen Uwe liefd' en wonderkracht? Neen! geen sterv-
ling kan bepalen, Wat Uw hand te wege bracht. 't Goed, daar Gy my meê ver- zaadt, Is ver booven tal of maat: Gy woudt my Uw hulp zoo schenken, Dat geen on- heil my kon krenken. 4 't Daglicht wykt van 's hemelstranssen, Wyl de nacht het aardryk dekt; 'k Wagt op U Heer! door Uw glanssen Wordt myn ziel weer opgewekt: Sta my toch o Vader! by Dat Uw licht steets voor my
zy, En in 't duister my moog leiden; 'k Wil alleen Uw hulp verbeiden. 5 Heer! vergeef my al myn zonden: Toon my Uw barmhartigheid, Want zy slaan myn Ziel met wonden, Kwetzen Uwe Majesteit. Dryf des satans list en magt Rugwaards, door Uw sterke kracht; Nimmer moet het hem gelukken, Dat hy my in nood doe bukken. 6 Schoon ik ben van U geweken, 'k Stel
my voor Uw aanschyn bloot: 't Bloed Uws Zoons zal voor my spreken: 'k Heb vergifnis door Zyn dood. 'k Loochen myne schulden niet, Maar de gunst, die Gy my biedt, Is veel grooter, dan de Zonden, Die Gy in my hebt bevonden. 7 Flonkerlicht der Eeuwigheden! Glans die 't vroome volk verblydt! 'k Zoek Uw hulp door myn gebeden, In deez' nacht en t'aller tyd: Blyf by my, zoo lang ik
zal Wandlen in dit duister dal; Laat Uw liefde my verzellen, Zoo zal my geen ramp ontstellen. 8 Laat my, God, in Satans netten Nim- mer hangen, vast verward; Laat hy nim- mer my verpletten, Of belaân met angst en smart. Laat my U, o zuiver Licht! Nooit verliezen uit 't gezicht: Wie toch leeft in Uw nabyheid, Die geniet van smerten vryheid.
9 Als myn daaglyks werk zal maken, Dat slaapzuchtig word' myn oog, Geef dan dat myn hart moog waken En gericht moog zyn om hoog: Myn gedachten doe geheel Zyn gestrekt naar U, myn deel! Dat my niets van U afdryve: Dat ik, slapend', d'Uwe blyve. 10 Dat een zachte rust myn leden, In deez' nacht, herleven doe: Weer van my toch moeilykheden; Uw genade dekk'
my toe. Dat myn Ziel en myn gemoed, Dat myn lyf en tydlyk goed, Vrienden, magen, huisgenooten, In Uw opzicht zyn besloten. 11 Laat geen schrikken my genaken: Hoed my, Heer! voor overval: Doe my niet door ziekt' ontwaken: Weer het ys- lyk krygsgeschal, Vuur en hoogen waters- nood, Pest en al te snellen dood: Laat my niet in zonden sterven, En naar lyf en ziel
verderven. 12 Ach! verhoor o Heer der Heeren! Hoor het smeken van Uw kind: Jesus, Dien ik steets zal eeren, Blyf myn Schuts- Heer, Raad en Vrind. Heilge Geest, ach! zyt my goed; Sterk Gy toch myn zwak gemoed. Ach! neem dit gebed ter ooren: 't Zy zoo, ja Gy zult my hooren.
Cookies on Poetry Cove