Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

XXXVIII Lied.

1 Vader vol genade, Ik, een worm en made, Lig voor Uwen Troon: Hoor toch myne bede, Nu ik tot U trede: Hoor ze in Uwen Zoon; Want Gy laat ons niets ont- beeren, Wat w' in Zynen Naam, begeeren.

2 't Is geen schat op aarde, Lust, of eer, of waarde 't Geen ik smeekend vroeg; Heb ik 's Geestes gaven, Die de ziele laven, 'k Heb voor my genoeg: En die wilt Gy toch verleenen Hun, die daarom kermen, weenen. 3 Sloot ik van te vooren Voor den Geest myn' Ooren; Heb ik Hem weerstreeft: 'k Wil vergiffnis vragen, Dat ik, al' myn' dagen, Heb ontrouw geleeft. Wil my door Uw Gunst verblyden, Die oprecht kom schuld belyden.

4 Nader, Hartenroerder, Heil en rust aan- voerder, Heil'ge Geest, met kracht, Dwing my in Uw banden: Doe myn hart ontbran- den, Dat ik roem Uw magt: Hemel duiv, ai daal van boven Schenk my, dat ik mag gelooven. 5 Aller Geesten Vader Levensbron en ader, Stort my leven in: O Gy zonden hater, Wel van levend water, Reinig hart en zin: Wasch my wel, delg uit die vlekken, Die myn lyf en ziel bedekken.

6 Spiegel vol van klaarheid, Zegel van Gods waarheid, Myn verstand verlicht, Dat op 's Heeren grootheid En myn eigen bloot- heid Staag myn oog zich richt'! Leer my Uw' Genade schatten Die het vleesch nooit kan bevatten. 7 Breek des satans werken, In my, door den sterken Hamer van Uw woord; Doe my aan U hangen, Richt tot U myn gangen Zoo als 't recht behoort. Dat ik my aan U

mag geven, En naar Uwen wil kan leven. 8 Hebt Gy aan die tongen, Die Gods werken zongen, Wonderen gedaan; Blyf nu niet verholen, Roer met Altaar koolen, Myne lippen aan: Dat, zoo lang ik adem haale, Ik myn God den lof be- taale! 9 Als ik treurig zitte In verzoekings hitte, Troost my door Uw raad: Laat Uw stroomen vlieten En zich in my

gieten, Met een ruime maat. Wil myn dorstig harte laven Met de rykste Hemel- gaven. 10 Ik kan alles dragen, Ik durvalles wa- gen, Wyl Gy zyt myn pand. Ai wil by my blyven, Allen nood verdryven; Leid my by de hand: Wil Uw werk in my voltrekken, 't Zal Uw Naam tot roem verstrekken! 11 Dit myn lyf der Zonden, Waar Uw's

Tempels gronden In geankerd staan, Zal wel eerst verteeren; Maar met luister keeren, Van het graf ontdaan: Dan zal ik voor deeze dingen Uwe magt en sterkte zingen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove