C Van Het Genade verbond.
LXVI Lied.
Voize Lied LXV.
De Bond-God.
1 Ik ben Uw God en Hoogste Goed,
Ik ben met U bevreedigt, Doch 't kost een
onwaardeerbaar bloed, Zoo vaak door schuld
beledigt Den Goddeloozen geef ik 't recht
Schoon dat hy was des duivels knecht, Om
als myn kinders t' erven.
De Bond-genoot.
2 Ach Vader 'k ben geheel onwaard All
Uwe Gunstbewyzen. Myn laster ging met
haat gepaard, Daar ik Uw Naam moest
pryzen. Wie ben ik? wat 's myn huis?
o Heer! Rechtvaardig wierpt Gy my ter
neêr Verstooten door Uw' wrake.
De Bond-God.
3 Neen neen! myn vry Genâverbond
Is vol van vreed' en zegen; De Borge, die
in 't midden stond, Maakt my tot U gene-
gen: Ik ben eens Zondaars zalig God,
Zoo Christus is Zyn deel en lot, Doch
Gy moet zonden myden.
De Bond-genoot.
4 Schep dan in my een zuiver hart, O
Schepper aller dingen! Verbreek myn trots
door rouw en smart; Wil d'ouden mensch
bedwingen. Niets kan ik zonder U o Heer!
Zend my myn Bond God sterkte neêr!
Gy zyt toch Groot en Magtig.
De Bond-God.
5 Ik heb alreets aan U gedacht, In einde-
loos erbarmen: 't Genaê besluit geeft Je-
sus kracht: Loop loop maar in Zyn armen.
Ter Wysheid en Gerechtigheid, Ter Heiliging
is Hy bereid: Hy is 't randzoen geworden.