B. Zuchtingen om een Zalig sterven. CXLIII Lied.
1 O Jesus! waare mensch en God, Die hebt verdragen pyn en spot; Ja zelfs aan 't Kruishout zydt gedood, Op dat Gy 's Va- ders Gunst my bood. 2 Ik bid, om deez' Uw bittre pyn, Wil my, een Zondaar, Gunstig zyn, Wan- neer ik kom in stervensnood, En lig te worstlen met de dood.
3 Als myn gezicht geheel vergaat, En 't oor geen enkel woord verstaat, Wanneer myn spraaklid niet meer spreekt, En my het hart door doodsangst breekt. 4 Als myn verstand geen kracht meer heeft, En menschen hulp my gansch begeeft, Kom dan o Jesus! toch tot my: Sta, m', in myn laatste tydstip, by. 5 Voer m' uit dit dal, vol angst en nood; Verkort de smarten van de dood; Verdryf
den boozen Geest van my: Uw Geest blyv' my gestadig by. 6 Breekt eens de Ziels en lichaams band: Ai neem myn Geest dan in Uw hand; Dat toch myn lichaam rusten mag In d'aarde, tot den jongsten dag. 7 Geef, dat ik vrolyk op moog staan: Trek in 't gericht, myn zaak U aan: Ge- denk niet aan myn snood beleid: Schenk m' uit Genaê de Zaligheid.
8 Gelyk Gy zegt met eigen mond, In 't woord, waar op myn hoop haar grond! Voorwaar voorwaar, 'k beloof aan hem Die acht geeft op myn wil en stem: 9 ‘Hy komt door 't oordeel niet in nood: Hy blyft niet eeuwig in den dood, Wyl hy schoon hy hier tydlyk sterft, Niet in het aklig graf verderft. 10 Ik zal hem uit den yzren band Des doods, verlosten met myn hand. Ik zal
hem nemen in myn Ryk, Op dat hy zy aan my gelyk, 11 En Eeuwig leev' in vrolykheid: Uw Gunst zy hier toe ons bereid! O Heer! vergeef ons onze schuld, En leer ons wag- ten met geduld. 12 Dat ons geloov blyv vast gegrond, Ja zelfs tot in den laatsten stond, En nimmer van Uw woorden wyk', Tot wy ontslapen zaliglyk.
Cookies on Poetry Cove