Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

De des Morgens zingende Christen. CXXXIV Lied. Voize Psalm V.

1 O God, Die slaat het menschdom gade: O onbegryplyk hoogste Goed! U, U wy ik myn gansch gemoed: Pryst Hem, met my, Die met genade Ons hart ver- zaadde! 2 'k Heb aan Uw kracht heel toe te schry- ven Dat ik myn adem noch voel gaan:

Gy trekt U myner gunstig aan: O Va- der! wil my niet verdryven, Maar by my blyven. 3 U Isrels Heer! is 't niet verborgen: Ik onderwerp aan U myn zin: U, U alleen ik teeder min': Dit wensch ik in den vroe- gen morgen, Wil voor my zorgen. 4 Laat my Uw aanschyn heilig leiden: Uw oog sla my gedurig gaê, Het zy ik reiz, of zit, of sta, Wil my ter eeuwig-

heid bereiden, Voor myn verscheiden. 5 Laat Ziel en lyf, door U gegeven, In Uwe vreez', steets zyn bereid, Als wapens der gerechtigheid En in den dood noch aan U kleven, O Ziele leven! 6 Ach zegen my op myne wegen, In 't geen ik doe, of laten zal: Zyt Gy myn rust in ongeval, Tot ik myn einde heb gekregen, In vreed' en zegen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove