De des Morgens zingende Christen.
CXXXIV Lied.
Voize Psalm V.
1 O God, Die slaat het menschdom
gade: O onbegryplyk hoogste Goed! U,
U wy ik myn gansch gemoed: Pryst Hem,
met my, Die met genade Ons hart ver-
zaadde!
2 'k Heb aan Uw kracht heel toe te schry-
ven Dat ik myn adem noch voel gaan:
Gy trekt U myner gunstig aan: O Va-
der! wil my niet verdryven, Maar by
my blyven.
3 U Isrels Heer! is 't niet verborgen: Ik
onderwerp aan U myn zin: U, U alleen
ik teeder min': Dit wensch ik in den vroe-
gen morgen, Wil voor my zorgen.
4 Laat my Uw aanschyn heilig leiden:
Uw oog sla my gedurig gaê, Het zy ik
reiz, of zit, of sta, Wil my ter eeuwig-
heid bereiden, Voor myn verscheiden.
5 Laat Ziel en lyf, door U gegeven, In
Uwe vreez', steets zyn bereid, Als wapens
der gerechtigheid En in den dood noch
aan U kleven, O Ziele leven!
6 Ach zegen my op myne wegen, In 't
geen ik doe, of laten zal: Zyt Gy myn
rust in ongeval, Tot ik myn einde heb
gekregen, In vreed' en zegen.