Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

Aandachts Lied by het Heilig Avondmaal. XLVIII Lied. Voize Hoe schoon licht ons de morgenstar, Of Lied LXXXII.

1 ORots des Heils! o Godlyk lam! Die U, aan den vervloekten stam Van 't Kruis, voor my liet slachten: Uw dood

en allernaarste pyn Zal my een bundel Myrrhe zyn, En op myn borst vernachten Waar by Ik my, In myn lyden, Kan ver- blyden, Ja verkwikken En dat my kan vreugd beschikken. 2 Uw vleesch is voedzel voor 't gemoed: Gy wascht de zonden door Uw bloed: Uw Kruisdood kan my strekken Een steun, wanneer ik ben vermoeid, Een wel, daar levenssap uit vloeit: Een schild, dat my

kan dekken: Laat vry Op my Bliksem straalen Nederdalen. 't Kan niet breken: Pylen kunnen 't niet doorsteken. 3 Hoe lieflyk is Uw liefde disch! Daar zie ik, tot wat droeffenis De liefd' U heeft gedreven: Daar wordt my uit Uw goede hand, Een gadeloosgenadepand, Tot my- nen troost, gegeven: Wanneer, Gy, Heer Uit erbarmen, U den armen Mensche schenken, En aan Uwen eed wilt denken.

4 Wie ben ik? o Bloedbruidegom! In zon- den slyk zit ik rontom; En Gy wilt gunst bewyzen, Aan my, die eeuwig helsche pyn En vloek moest onderworpen zyn: My wilt gy goedig spyzen: Daar by Wilt gy Met Uw gaven Ganschlyk laven Myn ver- langen, Dat, al hoopend, lag gevangen. 5 Ik die 't bezwooren trouwverbond Zoo Menigmaal vermetel schond, Ben niet ge- trouw gebleven. Myn schuld is groot: 't Ge-

loov is teêr; Nochtans zyt Gy myn Borg, o Heer! Gy wilt my nooit begeven: Uw woord Steeds voort Blyft bestendig, Hoe elendig Ik moog wezen, Gy wilt my op nieuws genezen. 6 Dus zinkt voor U een ledig hart, Dat niets U brengt dan zonde smart, In zelfs verlooch'ning neder: 'K heb in my zelven wrang verdriet, Dat ik myn schat zoo vaak verliet: Ik keer demoedig weder: Van nu

Wil 'k U, Mynen Heere, Trouw' en eere Hartlyk zweeren, Zoo Uw Geest my maar wil leeren. 7 Ach kom tot Uwen lusthof dan: Ik zal U geven wat ik kan, 't Geen 'k aan u heb te danken. En wilt Gy meer? zoo geef het my, Opdat ik het U wederwy'. O wyn- stok! doe Uw ranken Groeyen, Bloejen: Wil van binnen Hart en zinnen Uitwaards jagen, Dat z' U rype vruchten dragen.

8 Maak m', in 't geloove, recht bereid Om 't kleed van Uw Gerechtigheid Vrymoe- dig aan te trekken: Ik koom, en ik betrouw het vast; 'T Bondzegel aan my toegepast Kan my ter waarborg strekken. Want Gy Gunt my Toe te treden: Ik heb heden In Uw wonden Toegang tot den Troon ge- vonden. 9 Gy maakt my priester, en hierom Mag ik in 't binnenst Heiligdom Zelvs zonder

dekzel komen. 't Voorhangzel scheurdet Gy van een: Als Bondgenoot mag ik thans trêen En nadren, zonder schromen. 'K schrik niet, 'K beef niet, Vry van ban- den; Wyl die handen Zyn doorgraven Die voor my het los geld gaven. 10 Hier is de liefde myn banier! Hier brand op 't Outaar liefdevier! Gy hebt my 't hart genomen, Daar Gy my 't brood des levens schenkt, En my uit edens stroomen

drenkt: Daar G' eerlang zelf zult komen, En my Dan bly U hier booven Steeds doen loven Eeren, pryzen En volop met Manna spyzen. 11 Geef maar, dat zoo als myn gemoed Thans uit Uw volheid wort gevoed, Het ook in U mag blyven. Myn keuz', waar door 'k op nieuws my gaf Aan U, kan alle vrees voor graf En helsch geweld verdry- ven: Ik wil Nu stil Aan U kleven, In U

leven, Duizend Ryken Moeten voor Uw' Gunste wyken! 12 Laat my door dit Uw honig sap Ver- sterkt in deeze Vreemdlingschap Blymoe- dig voorwaards treden. O Hemels brood nooit scheide my Van U, Egyptens lekker- ny Of zyn aanloklykheden. Heer hou Uw' Trouw Aan Uw' Tortel. Jesses wortel! Geef daar boven, 'T geen Uw woord en pand beloven!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove