Gebed om waare wysheid, als een vrucht en uitwerkzel der verlichtinge.
LXXV Lied.
Voize, Psalm CXL.
1 Zelfstandig woord van God gezonden,
Gelyk een straal van 't Godlyk licht, Zoo
vaak men raadloos wordt bevonden, Geeft
gy den blinden ziels gezicht.
2 Ik zink voor uwe voeten needer: 't Ver-
nuft is niet dan duisterniss': Ik word geslin-
gert heen en weder, En blyv noch eeven
ongewis.
3 Ik durf naar eigen raad niet luistren;
De list van 't vleesch is my bekend, Dat
zich door valsheid laat verduistren, En zich
aan ydlen schyn gewent.
4 Gy zyt de bron van alle waarheid, Tot
wysheid ons van God gebragt; En in Uw
leer is niets dan klaarheid, Uw Geest ver-
dryft den valen nacht.
5 Myn Leeraar, my van God geschonken,
Geef my een hart, dat, wel bedacht,
Steeds moog' in leerzaamheid ontfonken,
En op Uw lessen geven acht.
6 In 't geen Gy my wilt openbaren Stel daar
my altoos in gerust, Leer my ook vroo-
lyk samen paaren Standvastigheid, gedult
en lust.
7 Maak my een werktuig Uwer Eere,
Waar toe, zoo, waar het U behaagt: Op
dat het alles tot U keere Wat in my door
U vruchten draagt.
8 Nooit doe my s' menschen vonnis schrik-
ken, Wyl niemand Uw besluiten zag: Gy
zult toch eindlyk alles schikken, 't Verho-
len brengen aan den dag.