Betrachtinge der Eeuwigheid.
CXLIX Lied
1 Ozondig mensch! bedenk, Gy loopt
naar d'eeuwigheid: Ach! neem Uw
tyd in acht, Zyt yder uur bereid. Die hart
en nieren kent, Gods en des menschen
Zoon, Komt, als Uw Richter, straks Op
zyn geduchten troon.
2 O dolle zekerheid! Vervloekte slapens-
lust! Waak op! waak op! o mensch! Uit
Uwe diepe rust: Werk tot Uw zaligheid,
Met beeving in 't gemoed, Op dat G' Uw
grootsten schat, Uw Eedle ziel behoed.
3 De magt der duisterniss' Word naauw-
lyks hier gezien; De booze stond genaakt:
Wie kan wie zal ontvliên? Ach! zie 't ver-
teerend vuur Breekt reeds uit Sion aan: Wie
kan toch voor den glans Van 's menschen
Zoon bestaan?
4 Verduurt een stroohalm dan Dien onge-
naakbrengloed? Bestaat een zandgrond voor
Een opgepersten vloed? Zal dan een stop-
pel? zal Een blad, dat ras verzwind, Het
buld'ren wederstaan Van zulk een wervel-
wind?
5 Waak op dan! o myn Ziel! En zoek in
Jesus rust, Wyl Gy zyt van dien vloed
En gloed en wind bewust: Vlucht, met
de tortelduif, Naar deezen Rotsteen heen:
Daar leeft G', in eeuwigheid; Gerust en
wel te vreên.
6 Myn naasten! 'k roep U toe, Bereid U
en besef, Wat Gy betrachten moet, Eer
U de doodschicht treff'! Gy weet niets
van dien stond, Dat Gy dit ondergaat: God
komt, eer gy 't verwagt, Beproef dan
Uwen staat.