Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

Betrachtinge der Eeuwigheid. CXLIX Lied

1 Ozondig mensch! bedenk, Gy loopt naar d'eeuwigheid: Ach! neem Uw tyd in acht, Zyt yder uur bereid. Die hart en nieren kent, Gods en des menschen Zoon, Komt, als Uw Richter, straks Op zyn geduchten troon. 2 O dolle zekerheid! Vervloekte slapens- lust! Waak op! waak op! o mensch! Uit

Uwe diepe rust: Werk tot Uw zaligheid, Met beeving in 't gemoed, Op dat G' Uw grootsten schat, Uw Eedle ziel behoed. 3 De magt der duisterniss' Word naauw- lyks hier gezien; De booze stond genaakt: Wie kan wie zal ontvliên? Ach! zie 't ver- teerend vuur Breekt reeds uit Sion aan: Wie kan toch voor den glans Van 's menschen Zoon bestaan? 4 Verduurt een stroohalm dan Dien onge-

naakbrengloed? Bestaat een zandgrond voor Een opgepersten vloed? Zal dan een stop- pel? zal Een blad, dat ras verzwind, Het buld'ren wederstaan Van zulk een wervel- wind? 5 Waak op dan! o myn Ziel! En zoek in Jesus rust, Wyl Gy zyt van dien vloed En gloed en wind bewust: Vlucht, met de tortelduif, Naar deezen Rotsteen heen: Daar leeft G', in eeuwigheid; Gerust en

wel te vreên. 6 Myn naasten! 'k roep U toe, Bereid U en besef, Wat Gy betrachten moet, Eer U de doodschicht treff'! Gy weet niets van dien stond, Dat Gy dit ondergaat: God komt, eer gy 't verwagt, Beproef dan Uwen staat.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove