CXXXIX Lied.
Voize Psalm VIIII.
1 De dag is heen, wil by m'o Jesus bly-
ven: O Ziel licht! wil der Zonden nacht
verdryven: Ach! dat Uw glans, o Heil-
zon! my verblyd'; Verlicht myn Ziel, o
Heer! 't is meer dan tyd.
2 U zeg ik dank, myn God! in all' myn
wegen, In al myn doen schonkt Gy my
Uwen zegen: Uw wil o Heer! schoon ik
dien niet versta, Is altoos recht, het ga
dan hoe het ga.
3 Dit maar alleen, dit maakt my noch e-
lendig, Dat ik in 't goed zoo vaak ben on-
bestendig: Dit weet Gy wel, Gy die de
nieren proeft; Ik struikel, als een kind,
dat hulp behoeft.
4 Vergeef my 't kwaad, in myne Ziel
verholen, De waereld, zond' en duivel
doen my dolen: Ik heb berouw: daar is
myn hand, o Heer! Zyt Gy de myn', zoo
ben ik d'Uwe weêr!
5 O Isrels heil! myn herder! myn ont-
fermer! Gord aan Uw zwaard, myn Troo-
ster! myn Beschermer! Bewaar my door
Uw onverwinbre magt, Als Belial op my-
ne Ziel maakt jacht.
6 Al rusten wy, geen slaap kan U bevan-
gen: Laat in den slaap myn Ziel het goed'
erlangen: Ach dat Uw licht, o Heilzon!
my omscheen! 'k Verlaat U niet, myn
Rots! de dag is heen.