C. Van het Vertrouwen op God.
CXI Lied.
Voize Lied LXXXV.
1 Op God, zoo goed, als groot, Ver-
trouw ik, in myn nood; Hy kan my wel
bevryden, Uit droefheid angst en lyden,
Hy kan my voorspoed schenken: 't Draait
alles naar Zyn wenken!
2 Schoon my myn schuld beticht, Myn
hoop niet ganschlyk zwicht: Ik zal op
Christus bouwen, Op Hem alleen vertrou-
wen; Ik zal, in dood en leven, My aan
Hem overgeven.
3 Daal ik ter grafsteed' in, De dood is
my gewin; Want Christus is myn leven,
'k Heb my aan Hem gegeven, Al sterv' ik
nu, of morgen, Hy zal myn Ziel ver-
zorgen. 4 O Jesus! die myn schuld Zoo lydzaam
hebt vervuld, En zyt aan 't Kruis gestor-
ven, Die my hebt heil verworven; Ja al
Uw volk by 't sterven Het hemelryk doet
erven.
5 Hoor my, genadig Heer! 'k Val aan Uw
voeten neêr; Help my, als 'k zal bezwy-
ken, Uw opzicht laat niet wyken: Wil
my ten Hemel leiden, 'k Zy zalig by 't
verscheiden.
6 'k Zeg amen t'allen stond: 'k Vertrouw
uit 's harten grond: Gy zult ons nooit be-
geven, Zoo lang w' op aarde leven, Op
dat wy eens te samen U eeuwig pryzen,
amen!