De in God Vergenoegde en Vrolyke.
XCII Lied,
Voize Psam XXIV
1 Wat kwelt U toch, ontroerde Geest,
Beveel Uw wegen, onbevreest, Aan U-
wen God, hy zal 't wel maken. Geloof
maar, Gy zult alles zien, Naar zyn be-
paalden wil, geschiên: Gy zult de grootste
blydschap smaaken.
2 Niets is Hem immers onbekent, Wyl
Hy het alles keert en went! Wat kan zyn
raadbesluit doch hindren? Geen Engel,
Koning, hel, of dood, Geen Afgrond,
hoogte, smert, of nood Kan van Gods
raad een stip vermindren.
3 Vorst Davids heilgoed zal bestaan: Nooit
zal het Zout verbond vergaan: 'T is vast
gemaakt door Jesus wonden. Een mensch
bedriegt zyn naasten wel; Doch nooit de
God van Israël; 'T is uit met dood en hel
en zonden!
4 Wel hem, die in het heilverbond, Als
bondgenoot, met hart en mond Den groo-
ten God wil hulde zweeren: Die weldoet,
en uit dankbaarheid, Als Jesus Litmaat,
is bereid, Zyn traagen naasten te bekee-
ren.
5 Wel U, Gy hebt het hoogste goed, Die
alles uit geloove doet, En wild in liefd'
oprecht verkeeren; U is bestendig heil be-
reid, Zelfs, midden in de tegenheid, Zal
U uw vyand moeten eeren.
6 Wel dan, is U de weg bewust, Heb in
den Heer Uw hoogsten lust, Gy moogt
U aan Hem overgeven. Schep moed,
dewyl Hy in U is, Zulk een geweten
is gewis Een Eeuwigduurend Zalig
Leven!