De Geschiedenissen en heilvruchten van Christus Lyden, uit de vier Euangelisten. Of Het Oude Lied O Mensch beween uw zonden groot, verbetert. XXIV. Lied. Voize Psalm XXXVI.
1 O Jesus Gods geliefde Zoon, Gy zyt van 's Hemels hoogen Troon Op Aarde neérge- komen. Gy hebt ons 't zalig Ryk bereid, En, enkel uit barmhartigheid, De Mensch- heid aangenomen. Door zelf te worden arm
en naakt Hebt Gy ons eeuwig ryk gemaakt, En steeds in smert gewandelt. Een ieder boodt g'uw dienst, Heer, aan, En Gy, als hadt Gy kwaad gedaan, Werdt staâg van elk mishandelt. 2 Gy leed ook buiten in den hof Voor onze Zonden, daar G' in 't stof, Doorangst, werd neergeslagen. Op dat wy al ons zondig kwaad Niet zouden, zonder troost en raad, In eeu- wigheid beklagen. Daar streed Gy tegen 's doods
geweld, Schoon U, het bloedig zweet, ô Held, Door angst werd uitgedrongen; Op dat de doodsangst onze Ziel In 't sterfuur niet te bitter viel, Hebt Gy den dood be- dwongen. 3 En Judas, die zich noemd' Uw Vrind, Heeft, door geldgierigheid verblind, Uschan- delyk verraaden. Op dat gy naamt in Vriend- schap aan Ons, die zoo vaak, door gruwel- daân, De trouw met voeten traden. En
daar op werd Gy gansch en gaêr Omringt door Uwer haat'ren schaar, Gebonden en ge- vangen; Op dat w', uit 's duivels strik ge- leid De waare vreugd en zekerheid, Door Uwe kracht erlangen. 4 Uw Jongers vloden van U heen, Ook Pe- trus, door de vrees bestreên, die, eer de haan noch kraaide. U driemaal loochend', ons ter leer', Om vast te houden aan u, Heer, Schoon 't ook een stormwind waaide. Doch
als Uw oog op Petrus zag, Daar hy in angst gedompelt lag, Waard Gy hem, Heer, ge- nadig: Op dat geen schuld, hoe zwaar en groot, Een, die tot Uwe liefde vlood: In eeuwigheid beschadig'. 5 Gy werdt, verheeve Majesteit, Tot veelen Rechters heen geleid, Niet zonder moeilyk- heden. Op dat wy door des duivels magt Niet wierden in de hel gebragt, Daar duld- loos pynen leden. Gy werdt, Oneindig Groo-
te God, Gehoond met schimp en smaad en spot, Geslagen en bespogen; Op dat G' ons vry van smaad en schand, Met God ver zoend, ter eere stand, Eens Eeuwig zoud ver- hoogen. 6 Men heeft by al dien hoon geen woord, O Heer, uit Uwen mond gehoord, Hoe wreed men U mogt plaagen. Op dat wy niet voor Gods gericht Verstomt, berooft van alle licht, Voor eeuwig strafse draagen. Eerst
gaf Pilatus U die eer, Dat hy in U, on- schuldig, Heer, Geen misdaad hadt gevon- den. Zoo dat ons hart erkent en roemt, Dat Gy ten onregt zyt gedoemd, Alleen om onze zonden. 7 Der Jooden haat zoo bitter was, Dat zelvs de Moorder Barabas, werd bo- ven u gekoren. Op dat wy eens in 't Hemelryk, Het Seraphynendom gelyk, Uw Roem en Lof doen hooren. Men gees-
seld' U, (ô euvelmoed!) Zoo dat, ô Borg, Uw dierbaar bloed Is uit uw lyf gevlooten, Dus hebt G', op dat wy, vry van pyn, Van smart en striemen mochten zyn, Uw kostlyk bloed vergooten. 8 Pilatus die 't geduld verloor, Steld U der Jooden Schaar dus voor; ‘Wild hier den Mensch aanschouwen: Op dat wanneer het boos geweld Des Satans ons ten schouwspel stelt, Wy op Uw hulp betrouwen. Noch
groeit 'der Jooden gramschap aan: Al hebt Gy God noch Mensch misdaan, 't Doods vonnis wordt gestreeken, Op dat G' ons in den Jongsten dag, Hoe zeer de helvorst woeden mag, Voor eeuwig vry kond spreeken. 9 Eer U de boosheid bragt ter dood, Heeft z' U van kleederen ontbloot, Tot meerdring van Uw lyden. Op dat G' Uw Volk eens mogt bekleen En met Uw Borggerechtig- heên Bedekken en bevryden. Men drukt en
pynt tot meerder hoon, Uw Schedel met een doorne kroon, Dus woud G' aan ons bewyzen, Hoe Gy de Kroon der heerlyk- heid Ons had door Uwen dood bereid, Waar voor w' U eeuwig pryzen. 10 Gy moest, schoon moed' en afgemat, Het Vloekhout zelvs door Salems Stad, En naar den Kruisberg, dragen. Op dat wy konden heenen gaan Verlost van zon- den, onbelâan van wel verdiende plaagen.
Gy moest naar hunnen boozen raad, U tusschen Moorders, ô wat smaad, Aan 't Kruishout laaten hangen: Op dat wy, van den vloek bevryd, Als d'Uitverkorenen, verblyd, De Zaligheid erlangen. 11 Den Moorder aan Uw Regtehand Gaaft Gy Uw woord ten Onderpand, Hy zoud' Uw Ryk bewonen. Op dat men hoopend' tot U gaa, En niemand denk, het is te spaâ, Om myn berouw te toonen. Den andren
Moordenaar gingt Gy Vrymagtig met Uw Gunst voorby, Hy moest in Zonden sterven. Op dat men zyn berouw vervroeg', En nimmer denk, t' is tyd genoeg Genade te verwerven. 12 Men gaf, ô groote Leevensvorst, U Gall en Edik in Uw dorst, En deed U schier verstikken; Op dat Gy aan Uw Volk in nood, Een dronk ter laafeniss' aanbood, Die Zielen kan verkwikken. Gy gaaft, als
Mensch, waarachtig God, Den Geest op 't bloedig Moortschavot, Op dat G' ons zoud verwerven Een eeuwig leeven, en wy zyn Bevryd van alle helsche pyn, En van het stervend sterven. 13 Naar luid der Prophetie, ô Heer, Werd Uwe zyde met een speer Na Uwen dood, doorsteeken. Op dat, als uit een heil-fontein, Uw Gunst, Uw' Kind'ren in 't gemein, Zou zyn als Waterbeken. Men
zagh de graven opengaan. Veel heili- gen zyn opgestaan, En uit den dood ver- rezen, Zoo zullen w' ook, van doods ge- weld Bevryd, in 't leevens licht gesteld, By onzen Heiland wezen. 14 Wie zoud U dan niet dankbaar zyn Daar G' U voor ons in zulk een pyn Gewillig hebt begeeven. Wy willen, schuuw voor 't zondig kwaad, Met God verzoend, naar Zynen Raad En Zyn Geboden leeven.
En ŕoemen Uw Barmhartigheid, Die Gy, ô Hemel Majesteit, Getoond hebt door Uw Lyden. Beschouw, doemschuldig Adams Zaad, Hoe d'Opperheer de Zonden haat. En tracht ze te vermyden.
Cookies on Poetry Cove