XXVII Lied. Voize Psalm XLII.
1 Heiland, oorzaak van ons leven; Die voor veeler menschen schuld, U hebt in den dood gegeven; En zo smertlyk met ge- duld, Worstelde met ongemak, Op dat ons het zonde pak, Niet geheel zoud' on- derdrukken, En ten afgrond nederrukken. 2 Groote Heiland, die de roede Van Gods wraak, hebt afgeweerd, En de donderen-
de woede Van de wet, gansch afgekeerd En haar vloek te niet gemaakt; Zo dat ons geen ramp genaakt. En wy voorts noch helsche plagen, Noch haar straffen zullen dragen. 3 Wy, ô dierbre Jesus, wyden, Uwe trouw een danklied toe, Wy erkennen al Uw ly- den, Geef maar, dat wy, bly te moê, Uge- loovig dankbaar zyn, Wyl g' ons van de helsche pyn, Door Uw lyden, dood, en
wonden, Zoo gewillig hebt ontbonden 4 Satan dreigd' ons felle slagen, Had om ons te straffen lust; Dacht ons eeuwiglyk te plaagen, Op dat wy, van Zielen rust Gantsch berooft, in helschen brand, Onder zyne wreede hand, Eeuwiglyk in duisternissen, s' Heeren aanschyn zouden missen. 5 Doch dit kondt Gy geenzins dulden Je- sus, die Uw Volk bevryd, Liever woudt Gy onze schulden, Wyl Gy ons een Goël zyt,
Op U ńeemen, door randzoen Aan den eisch der wet voldoen, Om door lyden, angst en sterven, Heil en leven te verwerven. 6 Welk een Heer zoud' immer slagen Ly- den, voor zyn boozen Knecht? Wie zoud' ooit de boete dragen, Zynen vyand op- gelegt? Gy, ô Jesus! woudt alleen, Voor ons in de bresse treên, En Uw leeven zelf niet spaaren, Schoon wy Uwe haaters waren. 7 Moet dit niet een wonder heeten? Dat
Gods Zoon komt van den stoel, Waar Hy was als God gezeten, Om ons, uit den hel- schen poel, Op te voeren naar dien oord, Daar wy zullen ongestoort, t'Allerdierbaarst heilgoed smaaken, Duurzaam ons in vreugd vermaaken. 8 Ja! Hy dulde wreede slagen, Doorne- kroon, spot, kruis, en dood. Om ons uit de helsche plaagen, En den nooit volleden nood, Uit te rukken: nimmer
zal Myne Ziel in dit geval, Naar den eisch, haar dank betuigen, En zich voor U nederbuigen. 9 Wil my die genade geeven, Dat het mo- ge t'aller tydt, Diep zyn in myn hart ge- schreven, Dat Gy myn Verlosser zyt; Gy, ô Jesus, zyt geheel, Myn beschermer, schat en de cl! Wyl die banden, die U knelden, My hier in de ruimte stelden. 10 Laat my Uwen dood betrachten, Dan,
als my de dood genaakt, Laat my, boven U, niets achten, O dat dan myn yver blaakt', En Uw wonden, smert, en bloed, (O onblusbre liefdegloet!) Van my wierden ondervonden, Dan blyf ik aan U verbonden. 11 Breng myn Ziel, die 'k U beveele! Over in Uws Vaders hand, Als ik, door den dood, ten deele Neer zal storten in het zand. Dan zal ô myn
God Uw dood; Wyl G'Uw bloed voor my vergoot, My het leven, na myn sterven, In den hemel doen beërven.
Cookies on Poetry Cove