De Genaderyke nodiging tot het Heilig Avondmaal, en deszelfs vruchten. XLVI Lied. Voize Psalm XLII.
1 'k Moet van 's Heeren Gunst gewagen! Hiet dat niet weldadigheid, Dat ons Jesus heeft doen vragen Aan den disch dien Hy bereid? Jesus nodigt ons te gast, Op dat wy, van slaafschen last, Van de zond' en smert' ontheven, In den Hemel zouden leven.
2 Hy, de Heiland, wil ons spyzen: Hy wil zelv de spyze zyn: Hiet dat niet genaa bewyzen? Is Hy nu niet Uw' en myn? Hy geeft ons zich zelv ten deel, Op dat Hy de Ziele heel' Van haar pynelyke wonden, Die noch bleven onverbonden. 3 Heer! Gy hebt Uw zelv' gegeven, Voor ons, in den bittren dood, Om ons weêr te doen herleven, Vry van zonden straf' en nood. Ja! door Uwer liefde kracht, Zyt
Gy, Heer, daar toe gebragt Dat Gy, op een wond're wyze, Gaaft Uw zelv ter Zie- le spyze. 4 Nu kom ik o Heiland! treden Voor U, Hemel Majesteit! Hoor, ai! hoor myn smeekgebeden! Gy hebt toch voor my bereid Uw genaderyken disch, Op dat zich myn Ziel verfrisch. Gy wilt haar door spys verkwikken, En een levens- stroom beschikken.
5 Ach! Gy wilt o Heer! my laven Met het waare Hemelsbrood, En my door Uw ryke gaven Troost verschaffen in den nood. Maak geheel en al my rein In Uw zuivre heilfontein! Drenk my met genade-beeken; 'k Zal dan t' Uwer Eer steeds spreken. 6 Heere! maak my tot Uw woning; Maak myn Ziel van zonden vry; Heersch daar in, o Groote Koning! Dat zy 's Geestes Tempel zy. Ach! laat nooit dit brood
en wyn My tot zwaarder oordeel zyn, Daar g'U hebt, tot heil en leven, En verlossing my gegeven. 7 Leid my, stuur my steeds ten goede, Door den Trooster, Uwen Geest, Dat ik my van zonden hoede, En moog zoeken allermeest, 't Geen U welgevallig zy; Dat ik 't Waerelds woesteny, Door Godvruch- tigheid, ontvliede: Boozen lusten weer- stand biede.
8 Geef my ook geduld in 't lyden: Maak! my in 't geloove vast: Doe my waan en hebzugt myden: Dat my gramschap nooit verrast; En als iemand my misdoed Blusch de wraaklust, laat my zoet Met hem in verzoening leven, Wyl Gy hebt myn schuld vergeven. 9 'k Wil my naar Uw wetten schikken: 'k Geef aan U myn krachtloos hart; Wilt het door Uw heil verkwikken; Maak het
vry van alle smart. Och of myn' bedrukte Ziel U ter woning wel geviel! Wil in haar voor eeuwig leven! Heer, zy zy aan U gegeven!
Cookies on Poetry Cove