B. Betrachting van Gods Schepzelen in de Lente.
LV Lied.
Voize Psalm LXXIV.
1 O God! Uw magt wordt my hier
openbaar: Ik sta verbaast door Uwe groote
werken, Die Gy my laat zoo menigvuldig
merken, 'k Word' we liefd' op 't duide-
lykst gewaar.
2 Hoe opent zich de hard bevroren grond,
Dien korts de sneeuw als witte wol bedekte!
Dat dit o God! myn trage ziel opwekte:
Dat z' ook Uw lof vermeldt aan 't gan-
sche rond.
3 Hoe schittren daar de bloemen door haar
pracht! 'k Zie rood en geel door purpre
bladen zwieren: Hoe pronken daar narcissen,
violieren; U zy door my ook reukwerk
toegebracht!
4 De Zon vernieuwt het al door haaren
gloed: De by vliegt uit, om honig te ver-
garen. Wil ook, myn Licht! Uw glans
my openbaren, Hem vloekt Gy toch, die
Uwen wil niet doet.
5 't Gevogelt meld, met wildzang, 's Hee-
ren lof: De Leeurik streeft al zingend naar
den Hemel: Wel aan myn Ziel! rys uit het
aards gewemel; Zing al wat kan; gy hebt
tot zingen stoff!
6 'k Ontfing hier toe een redelyken Geest,
Hier toe ben ik van eeuwigheid verkoren:
En tot Uw eer ben ik myn God! geboren:
Ja dit is 't doel van Jesus dood geweest.