Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

CXLIV Lied

1 Wanneer myn uur voorhanden is, Dat ik van hier zal scheiden, Wil dan in deeze duisternis O Jesus! my geleiden: 'k Beveel myn Geest, dat dierbaar pand, By 't sterven, Heer! in Uwe hand: Gy zult dien wel bewaren. 2 Myn Zonden doen myn Ziele wee; Ik voel 't geweten knagen: Zy zyn toch meer,

dan 't zand der zee, 'k Zal echter niet vertzagen: Ik zal gedenken aan Uw dood, Aan 't bloed, dat uit Uw wonden vlood; Uw striemen my genezen. 3 'k Ben een der leden van Uw lyf, Des troost ik my van harte; Wyl ik aan U ver- bonden blyv', In doodsgevaar en smarte. Schoon ik dan sterven moet, geen nood! Ik sterv' toch U, door Uwen dood Ont- vang ik 't eeuwig leven.

4 't Gaat vast, wyl Gy verrezen zyt, Zal ik ook eens herleven: Uw opstaan maakt myn ziel verblyd, Geen doodsangst doet haar beven: Des ik gerust van d'aarde vaar, Wyl 'k eeuwig, by de Hemelschaar Met U vereend zal leven. 5 Zoo vaar ik naar myn Jesus heên: Naar Hem strek ik myn handen: Ik rust en slaap dan wel te vreên, Geen mensch breekt deeze banden; Want Jesus min en gunstig-

heid My eens ten hemel binnen leid, Om eeuwig daar te leven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove