CXLIV Lied
1 Wanneer myn uur voorhanden is,
Dat ik van hier zal scheiden, Wil dan in
deeze duisternis O Jesus! my geleiden: 'k
Beveel myn Geest, dat dierbaar pand, By
't sterven, Heer! in Uwe hand: Gy zult
dien wel bewaren.
2 Myn Zonden doen myn Ziele wee; Ik
voel 't geweten knagen: Zy zyn toch meer,
dan 't zand der zee, 'k Zal echter niet
vertzagen: Ik zal gedenken aan Uw dood,
Aan 't bloed, dat uit Uw wonden vlood;
Uw striemen my genezen.
3 'k Ben een der leden van Uw lyf, Des
troost ik my van harte; Wyl ik aan U ver-
bonden blyv', In doodsgevaar en smarte.
Schoon ik dan sterven moet, geen nood!
Ik sterv' toch U, door Uwen dood Ont-
vang ik 't eeuwig leven.
4 't Gaat vast, wyl Gy verrezen zyt, Zal
ik ook eens herleven: Uw opstaan maakt
myn ziel verblyd, Geen doodsangst doet
haar beven: Des ik gerust van d'aarde vaar,
Wyl 'k eeuwig, by de Hemelschaar Met
U vereend zal leven.
5 Zoo vaar ik naar myn Jesus heên: Naar
Hem strek ik myn handen: Ik rust en slaap
dan wel te vreên, Geen mensch breekt
deeze banden; Want Jesus min en gunstig-
heid My eens ten hemel binnen leid, Om
eeuwig daar te leven.