Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

Godvruchtige betrachting van Christus Lyden. XXV Lied. Voize Psalm LI.

1 Myn Leevensvorst, myn Uitverko- ren goed, Hoe kan myn Ziel met dank-

baarheid vergelden Uw lievdegloed? en ooit genoeg vermelden Het heil voor my verworven door Uw bloed? Ach dat myn hart als t' uw' ook smelten kon, En tot U mogt in dankerkentnis vlieten, Dat ik de vrucht die 'k door Uw Lyden won; Gelyk een stroom mogt voor U nedergieten. 2 By donkren nacht viel U het Lyden aan, Om my den nacht der Zonden weg te vagen, Ik zie U, 't Kruis by Salems poorten

dragen, Op dat my wierd de heilpoort op- gedaan: Door 't duister dal van Kedron traat Gy heen, Op dat ik wierd uit zondig slyk geheven, D'Olyfberg zag Uw Ziel met angst bestreên, Op dat ons wierd de vreed' olyf gegeeven. 3 Het doodlyk ooft, was in een hof ge- plukt, Het hoogste Goed, was in een hof verloren; Dus hebt G' een hof, ten stryd- perk uitverkoren, Daar Gy my hebt aan 't

wraakzwaard Gods ontrukt. Hier zonkt Gy, gansch in treurigheid ter neêr, Van allen kant met vrees en schrik bevangen, Op dat ik, van al 't geen my drukt, ô Heer! Door Uwe smert bevryding mogt erlangen. 4 Het leevenszap verbrak der aad'ren band, En is met kracht Uw leden doorgedron- gen, Gy werd in 't stof der Aarde neêrge- wrongen, En kroopt gelyk een worm door

't bloédig zand; Op dat ik niet zou in den helschen gloed, Berooft van hulp, wanhoo- pig neêrgesmeten In 't aklig hol des af- gronds, eeuwig bloed Door 't blikzem- vuur van Uwe gramschap zweeten. 5 Der boozen Schaar, drong woedend op U aan, In grammen moed, met fakkels, zwaarden, stangen, Alleen om U, onnozel Lam, te vangen; Niet anders zou 't met my ook zyn gegaan, Wyl Belials verwoede draaken-

schaar, My, dwaalend schaap gansch weer- loos had besprongen, Had Gy niet, ô myn Herder, in 't gevaar, Den Wolf zyn prooy als uit den klaauw, ontwrongen. 6 Ook liet Gy Uw genade vollen mond, Door een geveinsd' een Judas kusch bevlek- ken, Om d'ontrouw van myn hart dus toe te dekken Ten blyk dat nooit Uw trou- we weergâe vond, Uw Jongers vloon, op dat G' ô Vorst alleen, Zoudt zonder hulp

de pérss der gramschap treden, Voor hun wier schuld hen band' in 't helsch geween, Op dat zy daar verdiende straffe leden. 7 Men voerd' U naar den Bloedraad, daar begon Men U te snood met valschheid aan te klagen, Noch spraakt gy niets, wat zy ook mochten vraagen, Om dat ik ook niet één antwoorden kon Op duizenden, want Heer ik had Uw Naam Met mond en daên gelastert en geschonden, Hierom

werd Gy veroordeelt met dien blaam, Als had men U op lastertaal bevonden. 8 Den slag, gepaard met Speekzel, dien U 't rot Der boozen gaf in 't aanzicht, waar ik schuldig, Gy leedt dien hoon en bittren smaad geduldig, Op dat ik nooit den Satan wierd ten spot. Als Leeraar ging men U met smaad te keer, U, myn Propheet, heeft d'euvelmoed weersproken, Op dat dit kwaad, aan Uwe reine leer, Door my

begaan, mocht blyven ongewroken. 9 Heeft Petrus U, daar hem de vrees bestreed, Driemaal verzaakt, en dus Uw hart doorsteeken; Ach! hoe veel meer, dorstik de trouw verbreeken, Doch, 't is my, ook, gelyk aan Petrus, leet: En hebt gy Heer nog dien trouwloozen Knecht Aanhoudend doen Uw liefd' en gunst ervaaren, Ach breng ook my, wanneer ik dwaal, te recht Laat toch Uw Geest my zwakke riet

bewaaren. 10 Men sleept U naar Pilatus rechterstoel, Wyl Gy ook leedt, voor die den voorhuid dragen, Men liet U door een Heiden on- dervraagen, Men schreeuwde, dat Gy op- roer had ten doel. Gy, Vrede Vorst, en Heerscher van 't heeläl, Heer; ik beken myn schuld, ik was verloren. Wyl ik my, by Uw haaters groot getal Gevoegt had, en myn lust ten Heer verkoren.

11 'O onrecht dat Gy met een Moorder staat! Een Barabas, een fielt word opgewo- gen, O grouwel, dat hy U word voorge- togen, O razerny, ô meer dan Kaïns haat! Maar, wat doem ik der Jooden eu- velmoed, Ik heb ook zelv' dit hoogste kwaad bedreven, 'K heb d'ydelhêen voor God, het hoogste goed', Ik heb den dood gekozen voor het leeven. 12. Het Moordgeschrey dat tot den Hemel

klom, Was niet zoo sterk, als myne zonden riepen, De stroomen bloeds, die van Uw Lichaam liepen, Waar in het door Pilatus geessel zwom, Die toonen my, Heer, myn bloedroode schuld, De helsche pyn en die gewetens priemen, Die Gy voor my leed met een taay geduld, Om myne wond, te heelen door Uw striemen. 13 Het purper dekt tot smaad der Eere Vorst Op dat ik mocht versiert ten voorschyn ko-

men, Een doorne kroon, doet 't bloed langs 't aanzicht stroomen, Op dat myn hooft de kroon der eere torst': Men treedt den glansch der hoogste Majesteit Vol wreev'len moed in spotterny met voeten; Ten eind ik dus niet myn weerbarstigheid, Door strenge straff, in d'eeuwigheid zou boeten. 14 O Godlyk Lam, hoe willig draagt Gy daar, Het vloekhout, op dat my geen vloek zou krenken, Dat hout, dat my moest lee-

vensvruchten schenken, Zoo dat ik in zyn schaduw veilig waar: Gy Ziels sieraat, Gy hangt hier ongedekt, Op dat Gy zoudt myn naaktheids schande dekken, Men heeft van d'Aard' aan 't Kruis U uitgerekt, Om my daar door der Zonden dienst t'onttrekken. 15 O Golgotha! Gy zyt het treurtoneel, Waar op de Heer, de Schepper wilde ly- den, De Kampplaats, daar het Vrouwe zaat wou stryden, De Schouwplaats, die dit won-

der viel ten deel! Hier zal de Borg der offren tegenbeeld, Met dierbaar bloed, voor my, 't randzoen betaalen, Terwyl Gods toorn met scherpe schichten speeld', En die op 't schild van myn geloof deed dalen. 16 Die tusschen Aard' en Hemel vrede bragt, Zie 'k tusschen Aard en lucht, ten schouw- spel hangen, Op dat ik wierd in 't Englen Choor ontvangen, Werd hy gelyk de Moor- denaars geacht. Zyn gansch gewaat, zyn

kleed, door 't lot verspreid, Moest hy ten buit den Krygsknecht overlaten, Op dat het kleed van Zyn gerechtigheid, Zoud' overal den Uitverkoor'nen baaten. 17 Daar toonde het verbonds bloed 't eerst zyn Kracht, Den Moordenaar, die even voor zyn sterven, Door waar geloof en boet, mocht heil verwerven: Voor alle schuld, was nu 't randzoen gebracht, Doch, is aan een uit duizend dit gedaan, Dit geeft

het vleesch geen grond tot zorgloos slui- men, Want d'and'ren fielt zag men verloo- ren gaan, Wagt U dan toch, den heiltyd te verzuimen. 18 De duistre Nacht voor Jesus, was m' een dag; Die 't Zonlicht schiep, wordt door geen licht bescheenen, Die Helper, moet als nu verlaten, weenen; Het Schepzel staat ver- stelt op Zyn geklag! Wie siddert niet? De Leeuw uit Juda huilt En brult; den

Zoon treft 's Vaders strenge roede; Wat wonder, dat Natuur zich zelv' verschuilt? O Ziele licht! hoe schynt Gy, my ten goede! 19 Dit weet ik, dat de nacht der duisterniss' Verdweenen zy, schoon ik met zwakke schreeden Moet raadeloos, door duistre da- len treden, Van troost ontzet, myn hoop blyft toch gewis! Eer zal de Zon, berooft van gloed en schyn, In 's afgronds poel ter

neder zyn gesmeten, Dan ik ontbloot van Jesus Gunst zou zyn, Dan Hy zyn trouw en liefde zou vergeten. 20 O leevensbron, Gy werd door dorst ver- teert, 't Is Edik, daar men U meê tracht te laaven, Op dat van my, door stroomen Uwer gaaven, De Ziele dorst voor eeuwig zy geweert; Gy geeft, op 't laatst, Uw leeven in den dood, Dringt, door den dood, in 't Paradys ten leeven. Op dat Gy my in my-

nen jongsten nood, Genadiglyk, de leevens- kroon zoudt geven. 21 Des zal, zoo lang een ader in my slaat, Myn hart, het beeld Uws doods in zich be- sluiten, Ook zal myn mond in Lofgezang zich uiten, Daar ik aan U, my ganschlyk overlaat: De Zonde, Heer, die U deedt ondergaan, Dien zwaaren last, zal ik met ernst vervloeken, Voor 't geen Gy hebt aan myne Ziel gedaan, Vergelding in ge-

trouwe liefde zoeken. 22 Die zyde, die men met een taayen speer Doorstak, zal my een toevlugt zyn en bly- ven, Als Belial my met zyn rot wil dryven Kleef ik U aan, Gy zyt myn God en Heer! Uw Bloed, zy my een open heilfon- tein, En doe myn schuld in 't diepst des afgronds dalen, Uw Geest maak my geheel van smerten rein, Dat 'k met Uw beeld in heiligheid moog' praalen.

23 Komt Gy met bloed en water dan tot my, Ik wil U bloed en water weder- geven, Ik wil gerust, door 't open voorhang streeven, En tot U gaan, van slaafsche vreeze vry: 'K zal als de dood my aangrypt, zyn gerust, My troosten in Uw heil, niets zal my roeren, 'K zie door Uw bloed de helvlam uitgebluscht, Ook zal Uw Geest my naar den Hemel voeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove