LVIII Lied.
Voize Lied CV.
1 Wilt Gy, o myn gemoed! Daar
op bedenking maken, Dat geen verandring
heeft? Beveel God alle zaken: Dat ik niet
vatten kan, Is aan den Heer bekent, Die
alles, wat Gy ziet, Ter Zyner Eere wendt
2 Zal dan d'Elendeling Ten hoogen Hemel
ryzen? Zal 't arme Schepzel dan Aan Zy-
nen Schepper wyzen, Wat Hy verrichten
moet? Behoeft Hy iemands raad, Door
wien het gansch heelal Reeds zoo veel
eeuwen staat?
3 Ach neen o Groote God U zy het op-
gedragen! Maak Gy het, zoo Gy wilt
Doe, naar uw welbehagen. Of schoon het
zeldsaam schynt, Het is toch eindlyk goed,
Al wat Uw wondermagt En hoogste wys-
heid doet.
4 O Vader! wil daar by My met Uw Gunst
vereeren, Op dat zoo alles moog Voor my
ten besten keeren: Bewaar de plaats, daar
'k leef, Dat nergens zy geklach! Dat het
voor my en 't volk Verdraaglyk wezen
mag!
5 't Geloov is wel zeer zwak, Doch schenk
my uitgenade, Dat het oprecht zy Heer!
Dat het myn ziel niet schade. Hoe wonder-
lyk 't ook ga, 't Staat alles in Uw magt,
U zy daar ook alleen De lof voor toege-
bragt.
6 God Vader U, niet ons Niet ons zy
eer bewezen! O Jesus! Uwe lof Uw Naam
zy steeds geprezen! U God den Geest zy
roem, Zy heerlykheid daar voor, Wat
Gy gestadig doet De gansche waereld
door!