G. Verloochening en verachting van de Waereld.
CXVIII Lied
Voize Lied LXXI.
1 Ei wat vraag 'k naar 't aardsch gewe-
mel? Als Gy Heer! maar by my zyt, Is
my d'aarde zelf een Hemel, Hel en wae-
relds list ten spyt, Dierbre Jesus! o myn
Koning! Maak in myne Ziel Uw woning.
2 Ei wat zou my rykdom baten, Ryk ge-
noeg in God myn schat? Wat vraag ik
naar hooge staten, Booven is de glorie stad!
O myn Schepper dit vertrouwe Toch Uw
Tortel in haar rouwe.
3 Ei! wat vraag ik naar den Hemel? Jesus
liefd' is Hemelvreugd. Weg gy, 's waerelds
snood gewemel, Gy verdooft, dat my ver-
heugt: Schatten, nu bedekt voor d'oogen,
Zyn by my van meer vermogen.
4 Ei! wat vraag ik naar het smalen, Als
myn Ziel het kwade myd? 's Heeren wil
kan 't al bepalen, Loogens zwichten door
den tyd; Eindlyk zal de waarheid leven,
En haar held'ren luister geven.
5 Ei wat vraag ik naar het loven, Wyl
myn deugd 'er niet door blykt? Waare lof
komt maar van booven, Van Hem, Die
het hart doorkykt, Dat kan 's menschen
deugd betogen, Dat hy geld' in 's Heeren
oogen.
6 Ei, wat vraag ik naar U allen Hemel,
Aarde, Geld en Eer, Als ik God mag wel-
gevallen? Ei wat wil, wat wil ik meer?
'k Hang aan God met all' myn' krachten
Als myn lyf en Ziel versmachten.