C. Troost tegen den Dood. CXLV Lied.
1 Myn ziel wagt met verlangen Op een volzalig end, Wyl ik hier ben omvan- gen Met droefheid en elend. Ik haak, om maar te scheiden Uit deezen zonde staat, Ach! Jesus wil niet beiden; Naar U myn
hart uitgaat. 2 Wyl Gy my vry woudt koopen Van zonden, dood en hel: En door Uw bloed my doopen, Waar ik myn hoop op stell; Zal ik 't geweld niet vreezen Van helle zond' en dood: Gy wilt myn steenrots we- zen, Des ben ik buiten nood. 3 Hoe zoet my dan het leven, Hoe wrang de dood my zy, Ik zal niet tegenstreven: Ik sterv' gerust en bly, Myn Ziel weet,
dat na stryden, By 't Hemels hofgezin Zy zich zal steeds verblyden; De dood is my gewin. 4 Myn lyf zal wel verstrekken Tot spyz' van worm en maad', Maar Christus zal 't weer wekken In eer die nooit vergaat. 't Zal, als de Zon, dan schynen En leven buiten nood By 't Heir der Seraphynen; Wat schaad my dan de dood? 5 De waereld wil my troonen: Dat ik hier
blyv', zy meld En wil my telkens toonen Haar sieraat eer en geld: Doch 'k wil dit gansch verachten, Wyl 't schichtig zal ver- gaan: 'k Wil naar het hemelsch trachten, Dat eeuwig zal bestaan. 6 Schoon ik my af zie scheuren Van al myn naaste bloed, Dat hen en my doet treuren; Dit troost toch myn gemoed, Dat Gy ons saam zult voegen, Zoo dat ons nooit iets scheid, Met innig ziels genoegen,
In 't Ryk der heerlykheid. 7 God doe Uw heil verwerven Myn Vrien- den! die ik lief! Ach! dat U toch myn sterven Niet al te smertlyk griev'! Blyft vast in dat vertrouwen, Dat wy in korten tyd, Elkander weer aanschouwen, In Eeuwig- heid verblyd. 8 'k Wend' my, in dit myn sterven, Tot U myn God! ai doe m' Een zalig eind' verwerven: Zend my Uw Englen toe:
Voer my in 't eeuwig leven, Dat Gy bracht aan het licht, 'k Word, door Uw heil, verheven; Daar zondemagt voor zwicht. 9 Ach! laat my nimmer wyken, Van U, myn Borg en Heer! Nooit myn geloov bezwyken; Versterk het meer en meer: Help my kloekmoedig stryden: Troost my- ne Ziel met kracht, Dat ik my moog ver- blyden En zingen; 't is volbracht!
Cookies on Poetry Cove